Zijn de administratieve sancties van 200% strijdig met de grondwet?
- henrivandebergh
- 9 mrt
- 8 minuten om te lezen
In een ophefmakend arrest d.d. 25 april 2025 (zie TFR 2025, nr…..) hield het Hof van Cassatie voor dat de echter de administratieve sanctie van 200 % ingeval van fraude slechts kan verminderen beneden het wettelijk vast tarief indien vooraf een genadeverzoek bij de Koning is ingediend.
In een arrest d.d. 12 februari 2026 nuanceerde het Hof dit op grond van de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Het Hof hield voor dat de rechter steeds de sanctie mag modelleren beneden het wettelijk tarief op grond van het evenredigheidsbeginsel. Daarmee sluit het Hof aan bij haar vroegere rechtspraak.
Maar wij willen een fundamentelere vraag stellen. Ons inziens zouden de sancties van 200 % ingeval van fraude wel eens strijdig kunnen zijn met de Grondwet.
In een arrest d.d. 7 oktober 2021 ( arrest nr.135/2021) hield het Grondwettelijk Hof voor dat een boete van 200 % onder bepaalde voorwaarden niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en (inherent daaraan) het evenredigheidsbeginsel, in samenhang met artikel 1 EAP EVRM (schending van het recht op privé eigendom). Het Hof stelde :
“B.10.2. Het staat aan de wetgever te oordelen of het wenselijk is de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een inbreuk het algemeen belang schaadt, vooral in een aangelegenheid die, zoals te dezen, aanleiding geeft tot een aanzienlijke fraude. Die gestrengheid kan onder meer de omvang van de geldboete betreffen.
Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen af keuren indien die kennelijk onredelijk zou zijn. met name doordat zij op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het algemene beginsel volgens hetwelk inzake sancties niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, ontsnapt aan de toetsing van de rechter, of aan het recht op het ongestoorde genot van de eigendom, wanneer de wet in een onevenredig bedrag voorziet en niet de mogelijkheid biedt van een spreiding tussen die straf als maximumstraf en een minimumstraf."
(...)
"B.10.4. Te dezen dient te worden aangenomen dat de sanctie ten bedrage van het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting niet onevenredig is ten aanzien van het gepleegde misdrijf, rekening houdend met de weerslag die de belastingontduiking kan hebben op de Schatkist en de concurrentieverstoringen die daaruit kunnen voortvloeien voor de bedrijven die wel hun fiscale verplichtingen nakomen, met de mogelijkheid om de in de wet bepaalde boete te vervangen door een verminderde proportionele boete of geheel of gedeeltelijk te laten kwijtschelden (artikel 84, derde lid, van het BTW-Wetboek, artikel 1, eerste lid, 1°, en tweede lid van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en artikel 9 van het organiek besluit van de Regent van 18 maart 1831 « van het bestuur van 's lands middelen ») en met de bij de voormelde arresten vermelde bevoegdheid van de rechtbanken om met volle rechtsmacht toe te zien op al wat onder de beoordeling van de administratie valt. De door die geldboeten veroorzaakte inmenging in het recht op het ongestoorde genot van de eigendom, dat gewaarborgd is bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is bijgevolg evenredig en redelijk verantwoord.” [1]
Het Grondwettelijk Hof stelde in een arrest d.d. 14 december 2016 (arrest nr. 159/2016) evenwel nog iets anders, nl.:
“B.3.1. Wanneer de dader van eenzelfde feit op een alternatieve wijze kan worden gestraft, dat wil zeggen wanneer hij, voor dezelfde feiten, ofwel naar de correctionele rechtbank kan worden verwezen ofwel hem een administratieve geldboete kan worden opgelegd waartegen hem een beroep wordt geboden voor een rechtbank, heeft het Hof geoordeeld dat er in beginsel een parallellisme moet bestaan tussen de maatregelen van individualisering van de straf: wanneer voor dezelfde feiten de correctionele rechtbank een boete kan opleggen die minder bedraagt dan het wettelijk minimum indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn (artikel 85 van het Strafwetboek) of wanneer uitstel kan worden toegekend (wet van 29 juni 1964), moet de rechtbank, waarbij het beroep tegen de beslissing om een administratieve sanctie op te leggen aanhangig is gemaakt, in beginsel over dezelfde mogelijkheden van individualisering van de straf beschikken.
B.3.2. De redenering die wordt gehouden in B.3.1 kan echter te dezen niet worden overgenomen, aangezien de feiten bedoeld in artikel 23duodecies, § 1, van de Brusselse Huisvestingscode, zoals het op het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil van toepassing is, geen strafrechtelijk misdrijf uitmaken en dus niet voor de correctionele rechtbank kunnen worden vervolgd.
(…)
B.4.2. Die administratieve geldboete is strafrechtelijk van aard in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Het Hof dient bijgevolg, bij de toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, rekening te houden met de waarborgen vervat in dat artikel 6 en, met name, de waarborg dat een onafhankelijke en onpartijdige rechter een controle met volle rechtsmacht kan uitoefenen op de door de bevoegde administratieve overheid opgelegde geldboete.
B.5. De in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vervatte waarborgen vereisen niet dat op iedere persoon ten aanzien van wie een administratieve geldboete wordt opgelegd die als een strafrechtelijke sanctie in de zin van die bepaling wordt gekwalificeerd, dezelfde maatregelen tot verzachting van de straf kunnen worden toegepast als die welke de persoon geniet ten aanzien van wie een sanctie wordt opgelegd die als een strafrechtelijke sanctie in de zin van het interne recht wordt gekwalificeerd.
B.6. Wanneer de ordonnantiegever oordeelt dat sommige inbreuken op wettelijke bepalingen moeten worden bestraft, behoort het tot zijn beoordelingsbevoegdheid te beslissen of het opportuun is om voor strafsancties sensu stricto of voor administratieve sancties te opteren. De keuze van de ene of de andere categorie van sancties kan op zich niet worden geacht discriminerend te zijn.
Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat uit die keuze voortvloeit, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.
B.7. De vaststelling van de ernst van een tekortkoming en de zwaarwichtigheid waarmee die tekortkoming kan worden bestraft, behoren tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever. Hij mag bijzonder zware straffen opleggen in aangelegenheden waar de aard van de inbreuken de grondrechten van de burgers en de belangen van de gemeenschap ernstig kan aantasten.
Het staat derhalve aan de wetgever om de perken en de bedragen vast te stellen waarbinnen de beoordelingsbevoegdheid van de administratie, en bijgevolg die van de rechtbank, moet worden uitgeoefend. Het Hof zou een dergelijk systeem alleen kunnen afkeuren indien het kennelijk onredelijk is, met name doordat het op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het algemene beginsel volgens hetwelk inzake sancties niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, ontsnapt aan de toetsing van de rechter, of aan het recht op het ongestoorde genot van de eigendom, wanneer de wet in een onevenredig bedrag voorziet en niet de mogelijkheid biedt van een spreiding tussen die straf als maximumstraf en een minimumstraf.
Buiten die gevallen zou het Hof zich op het aan de wetgever voorbehouden domein begeven, indien het bij de vraag naar de verantwoording voor verschillen in de talrijke wetteksten houdende strafrechtelijke of administratieve sancties, zijn onderzoek, wat de strafmaat en de maatregelen tot verzachting ervan betreft, niet zou beperken tot de gevallen waar de keuze van de wetgever dermate onsamenhangend is dat ze leidt tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling.”
Het Hof maakt hier een onderscheid naargelang een persoon voor dezelfde feiten ofwel een correctionele veroordeling kan oplopen ofwel een administratieve boete kan worden opgelegd. Is dit het geval, dan moet voor beide een individualisering van de straf mogelijk zijn. Is er alleen een administratieve boete mogelijk, dan moet dat parallellisme niet bestaan Het gaat hier om constante en reeds tamelijk oude rechtspraak van het Grondwettelijk Hof [2].
Wanneer het inzake inkomstenbelasting of btw om fraude gaat en is zowel een correctionele straf als een administratieve boete mogelijk en dus zou in beide gevallen een individualisering van de straf mogelijk moeten zijn door een bestraffing eventueel onder het wettelijk minimum of door toekenning van een uitstel of door rekening te houden met verzachtende omstandigheden.
In casu is dat volgens de bestaande wet (art. 70 WBTW, art. 444 WIB/92) niet mogelijk.
We durven dan ook stellen dat de boete in kwestie strijdig is met het gelijkheidsbeginsel.
Deze rechtspraak zal evenwel niet van toepassing zijn wanneer bestraft wordt overeenkomstig de schalen vastgelegd in koninklijke besluiten, die van toepassing zijn indien geen fraude werd gepleegd, want dan is er geen samenloop tussen administratieve en correctionele bestraffing.
Volgens het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof d.d. 14 december 2016 zou echter ook in dit geval een controle door de rechter mogelijk moeten zijn indien de wet een inbreuk zou vormen op het recht op ongestoord genot van de eigendom, doordat de wet een onevenredige sanctie voorziet en niet de mogelijkheid biedt de straf te spreiden tussen een minimum- en maximumbedrag.
De wetgever bepaalt de perken en bedragen waarbinnen de beoordelingsbevoegdheid van de administratie en dus ook die van de rechter, moet worden uitgeoefend. Het systeem mag echter niet op onredelijke wijze afbreuk doen aan het beginsel dat niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, ontsnapt aan de toetsing door de rechter [3].
De keuze van de wetgever mag bovendien niet dermate onsamenhangend zijn dat ze leidt tot een onredelijk verschil in behandeling. Zo stelde het Grondwettelijk Hof in een arrest d.d. 19 oktober 2023 (arrest nr. 136/2023) :
“Het staat aan de wetgever te oordelen of het wenselijk is de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een overtreding inzonderheid een algemeen belang schaadt, vooral in een aangelegenheid die, zoals te dezen, aanleiding geeft tot een aanzienlijke fraude. Die gestrengheid kan met name betrekking hebben op de maatregelen tot uitstel.
Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen afkeuren indien die onredelijk zou zijn of indien de in het geding bepaling ertoe zou leiden aan een categorie van rechtsonderhorigen het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige instantie, zoals gewaarborgd bij artikel 6 § 1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, te ontzeggen.”[4]
Ook ingeval van toepassing van de verminderde boetes vinden we dus steun in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.
In art. 444 WIB/92 wordt een minimum en maximum van de belastingverhogingen bepaald van 10 % tot 200 %. Dat zou dus aansluiten bij de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.
Henri Vandebergh 9 maart 2026.
Advocaat, vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de onderzoeksgroep CORe (Centrum voor overheid en recht) aan de UHasselt.
[2] In dezelfde zin o.m.: arrest nr. 61/2022 d.d. 5 mei 2022; arrest nr. 8/2019 d.d. 23 januari 2019 met verdere verwijzing naar de arresten nrs. 40/97, 45/97,128/99, 86/2007, 42/2009, 44/2011,147/2015, 25/2016, arrest nr. 56/2020 dd. 23 april 2020, arrest nr. 36 /2021 d.d. 4 maart 2021.
Het gaat hier om rechtspraak die niet geveld is in fiscale betwistingen maar die terug te vinden is in verschillende andere domeinen van het recht waar er sprake is van sancties. Er lijkt echter geen reden te zijn waarom deze rechtspraak ook niet zou gelden in fiscale aangelegenheden.
Een volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof mogen we eerstdaags verwachten.
[3] - Zie ook het hiervoor geciteerde arrest van het Grondwettelijk Hof d.d. 7 oktober 2021.
- Zie ook het arrest d.d. 5 mei 2023, nr. 61/2022.
[4] - Zie ook arrest van het Grondwettelijk Hof d.d. 23 april 2020, nr. 56/2020. Het Hof stelt “dat de wetgever geen maatregel mag nemen die kennelijk onredelijk is”.
- Zie in dezelfde zin : arrest Grondwettelijk Hof d.d. 4 maart 2021, nr. 36/2021, B.38.1 en arrest d.d. 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.23.2.

Opmerkingen