top of page
Zoeken

Het Hof van Cassatie bevestigt tot treurens toe de Antigoonleer (Cassatie 19 juni 2025 (F.23.0037.F)

  • henrivandebergh
  • 6 sep 2025
  • 10 minuten om te lezen

In een arrest d.d. 19 juni 2025 herhaalt het Hof van Cassatie voor de zoveelste keer haar “Antigoonleer”.


1.De Antigoonleer zal de geïnteresseerde lezer wel bekend zijn. De leer vormt een antwoord op het probleem van de bruikbaarheid van bewijzen die de overheid bekwam door overtreding van de wet. Mogen dergelijke (onwettelijke) bewijzen tegen iemand gebruikt worden ?


In een eerste reflex zou men antwoorden van niet. De overheid mag de wet niet overtreden. Dat lijkt voor de hand te liggen.


2.Het Hof van Cassatie ziet dat anders in de zogenaamde Antigoonleer.

““De fiscale wetgeving bevat geen algemene bepaling die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld en zo, daartoe gronden aanwezig zijn, voor het opleggen van een verhoging of een boete.


Het gebruik door de administratie van onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces.

Behoudens wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.


De rechter kan bij die afweging onder meer rekening houden met één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm worden beschermd, het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt. ”[1]


In het arrest d.d. 19 juni 2025 herhaalt het Hof van Cassatie deze leer in praktisch dezelfde bewoordingen. Het Hof verduidelijkt dat deze leer voldoende duidelijk en voorzienbaar is en dan geen schending vormt van het legaliteitsbeginsel van art. 170 Grondwet, noch een schending vormt van het recht op privé-eigendom (eerste protocol bij het EVRM en art. 16 Grondwet).


3.Deze leer is ontstaan in het begin van de eenentwintigste eeuw als een reactie op het feit dat “criminelen” nogal eens hun straf ontliepen door procedurefouten. De burgers zien dat niet graag en er  kwam, telkens iemand de dans ontsprong, regelmatig veel protest.


Er is een afkeer ontstaan tegen formalisme en het vernietigen van handelingen louter omwille van procedurefouten.


Nu hebben we er alle begrip voor dat het niet betaamt dat boosdoeners niet gestraft worden. Ons systeem faalt indien dit regelmatig gebeurt.

Maar is de Antigoonleer de oplossing ?


4.De Antigoonleer zal aanleiding geven tot willekeur door de overheid. Immers, de rechter zal later wel oordelen of de wetsovertreding door de overheid door de beugel kon. Dat is niet correct. Dat schept rechtsonzekerheid en geeft aanleiding tot onstandvastige rechtspraak. De ene rechter zal soepeler zijn dan de andere. Het zal natuurlijk steeds gaan om feitenkwesties en, zoals het woord zelf aanduidt, feitenkwesties verschillen nu eenmaal van het ene geval tot het ander en een lijn is er dan ook dikwijls moeilijk in te leggen Maar toch, het gevaar voor tegenstrijdige rechtspraak is niet denkbeeldig. Er moet een duidelijke, rechtlijnige oplossing zijn i.p.v. een oplossing jaren later.


5.We weten allen dat ons Opperste Hof dikwijls geroepen wordt lacunes in de wet aan te vullen en het is inderdaad juist, zoals het Hof voorhoudt, dat er geen wet is die bepaalt welk gevolg het overtreden van de wet door de overheid moet krijgen.

De vraag is echter of er hier sprake is van een lacune in de wet die het Hof mag aanvullen.


6.En gaat het Hof niet in tegen de wil van de wetgever? Deze heeft procedureregels voorgeschreven en termijnen opgelegd om de toepassing van het recht correct te laten verlopen. De wetgever heeft hierbij oog gehad voor de rechten van de burgers en een evenwicht gevonden tussen de belangen van de overheid en de gemeenschap in zijn geheel en de rechten van de individuele burger. Gaat ons opperste Hof niet in tegen deze wil van de wetgever en verbreekt zij het evenwicht niet dat deze heeft gemeend gevonden te hebben ?


7.We schreven reeds : “Tot in de jaren tachtig van vorige eeuw was het niet ongewoon dat de administratie iemands aangifte wijzigde zonder een bericht te sturen !! De ambtenaren kenden de procedure niet. Er werd soms echt willekeurig te werk gegaan.


De leer van ons Opperste Gerechtshof laat toe dat dergelijke toestand terug ontstaat. Nu willen we zeker toegeven dat het gevaar misschien niet zeer acuut is aanwezig is. Het is er het “klimaat ” niet naar. Maar het is zeker “embryonaal” aanwezig. Men zal misschien ondergetekende verwijten te overdrijven. De ervaring uit vorige eeuw leert evenwel iets anders. [2]


De overheid is iemand die macht wil hebben en steeds meer. [3]


Een systeem waarin men erop vertrouwt dat de betrokkenen (in casu de fiscale ambtenaren) redelijk zullen handelen, in evenredigheid, zal vroeg of laat ooit mislopen. De regels waarbinnen de overheid moet handelen, moeten duidelijk zijn en de naleving ervan moet gesanctioneerd worden. Anders zal het mislopen.

Men kan geen vertrouwen hebben dat de overheid matigheid zal betrachten. De ervaringen ter zake zijn legio !


Geen enkele overheid zal matigheid aan de dag leggen in het gebruiken van haar bevoegdheden. Men zal altijd evolueren naar het uiterste van wat men mag doen en men zal altijd nog verder willen gaan [4]. De rechtspraak van het Hof van Cassatie zet de deur op een kier ! ”


8.Kunnen we niet stellen dat het inherent is aan de beginselen van onze rechtstaat dat overtredingen van de wet door de overheid geen gevolg mogen krijgen ?!

Het beginsel van de rechtstaat wordt vermeld in artikel 2 VEU. Dit luidt als volgt :

“De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen. ”

Katrien Meerts omschrijft als volgt [5]:


“De eerste voorzitters van ons Grondwettelijk Hof, van het Hof van Cassatie en van de Raad van State hanteren in hun gemeenschappelijk memorandum van juli 2024 de volgende definitie, (Gemeenschappelijk Memorandum van het Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie en de Raad van State, juli 2024, 3) en ik citeer:


«De rechtsstaat is een algemeen rechtsbeginsel met grondwettelijke waarde dat alle componenten van de staatsmacht, de i wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht, dwingt de wet na te leven.»


De kern van de rechtsstaat is volgens deze hoogste rechtscolleges de doeltreffende rechtsbescherming. Dit hangt af van (1) de toegang tot de nationale rechtsstelsels en (2) van de onafhankelijkheid, de kwaliteit en de efficiëntie van deze rechtsstelsels.


De kern van de rechtsstaat, zo leerde ons al de Magna Carta, bestaat uit een accurate rechtsbescherming tegen onrechtmatig optreden van de overheid.

Het is natuurlijk ruimer dan dat.


Rechtsstaat houdt in dat de politieke, administratieve en de maatschappelijke organisatie van de overheid, samengevat de relatie tussen regeerders en geregeerden, wordt beheerst door en onderworpen is aan rechtsregels (F. Dumon, «Over de rechtsstaat», RW 1979-80, 273).


De fundamentele rechten van iedere burger, waaronder dus ook de rechten van de mens, vereisen een voortdurende bescherming die moet uitgaan van een volstrekt onafhankelijk en onpartijdig orgaan (E. Krings, «Enkele beschouwingen betreffende rechtsstaat, scheiding der machten en rechterlijke macht», RW - 1989-90,172).


Een rechtsstaat is een bestuursvorm waarin ook de gezagsdragers onderworpen zijn aan de wet. Dit is een zuivere toepassing van het legaliteitsbeginsel”.

(…)


Een rechtsstaat is een staat of een deel van een staat waarin de drie machten gescheiden zijn, de wetgevende macht democratisch verkozen wordt en zich houdt aan internationale verdragen en universele grondrechten, de uitvoerende macht' onder controle staat van de wetgevende en de rechterlijke macht gericht is op een toegankelijk, onafhankelijk en kwaliteitsvol systeem van conflictbeheersing en conflictbeslechting, waaraan iedereen zonder onderscheid onderworpen kan worden, ook de overheid zelf.”


De rechtstaat is een stelsel waarin de overheid gebonden is door de wet. Het stelsel is ingesteld om de burger te beschermen tegen de overheid [6].


9.Het lijkt ons toe dat het beginsel van de rechtstaat grondwettelijke waarde heeft. Zoals P. Popelier stelde :


“Alleen al de vaststelling dat elk rechtsbeginsel afgeleid is uit een fundamenteel rechtsprincipe, dat juist via de algemene rechtsbeginselen tot uiting komt, geeft aan alle rechtsbeginselen een grondwettelijke status.”[7]


En nu het beginsel ingeschreven is in het VEU (zie supra), behoort het ook tot het supranationaal recht.


Het beginsel is aldus wettelijk afdwingbaar en onderworpen aan het toezicht van het EHJ. We zouden aldus de leer van het Hof van Cassatie kunnen laten toetsen door het EHJ middels een prejudiciële vraag in een rechtsgeding.


10.Het lijkt ons toe dat de klassieke leer van het Hof van Cassatie waar we het hier over hebben, de burger niet meer beschermt tegen de overheid. Integendeel, het overtreden van de wet door de overheid wordt door de vingers gezien.


Onze rechtstaat is juist ingesteld om het optreden van de overheid aan banden te leggen (zie ook supra). Daar is het mee begonnen ! En dat uitgangspunt mogen we niet vergeten en mag na zoveel jaren misschien eens terug onder de aandacht gebracht worden. We vergeten dikwijls vanwaar we komen. Mensen zijn vergeetachtig en het gevaar wordt niet altijd onderkent. Mensen sussen in !


Natuurlijk moeten we ons de vraag stellen of er op de regel dat de overheid gebonden is door de wet, geen uitzonderingen zijn. We kunnen ons voorstellen dat die er zijn. Geen enkele regel is absoluut. Er zijn altijd uitzonderingen. Het is niet heel duidelijk wat in casu die uitzonderingen zijn. Het beginsel van de rechtstaat is in geen enkele wet neergeschreven en dus ook de uitzonderingen erop niet.


Maar we denken aan noodsituaties. Er kunnen zich situaties voordoen dat de rechten van de burgers moeten wijken voor  het algemeen belang. Het gaat steeds om het zoeken van een evenwicht tussen de rechten van de individuele burger, de rechten of noden van de samenleving als geheel en de rechten of noden van de overheid. De eerste twee, de individuele burger en de samenleving als geheel, kunnen met elkaar in botsing komen. En de eerste en/of de tweede kunnen in botsing komen met de derde, de overheid.


De overheid kan niet zelf beslissen wanneer ze niet meer gebonden zou zijn door de wet, want dat zou het stelsel van de rechtstaat uithollen. Daarom moet het wetgevend orgaan beslissen wanneer de overheid, in tijden van crisis, zelf mag beslissen, zonder raadpleging van de wetgevende organen.


M.a.w., er worden “volmachtwetten” gestemd. Die volmachtwetten moeten gemotiveerd zijn en zullen altijd onderworpen blijven aan het toezicht van de rechterlijke macht.

De overheid kan dus nooit handelen buiten het wettelijk systeem van de rechtstaat.


11.Er is geen rechtvaardiging te vinden in ons rechtsstelsel om het overtreden van de wet door de overheid om een of andere reden, toch goed te keuren, naast zich neer te leggen of te vergoelijken.


Artikel 159 van de Grondwet bepaalt :

“De hoven en rechtbanken passen de algemene , provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.”


Ook individuele beslissingen van de overheid ressorteren hieronder


Het doel heiligt niet altijd de middelen.


12.We mogen hierbij niet uit het oog verliezen dat de burgers dit interpreteren als dat de overheid alles mag en zich niet moet houden aan de wet, wat natuurlijk niet volledig juist is, ook niet onder de Antigoonleer. Maar de burger krijgt die indruk. De leer van het Hof van Cassatie helpt zeker niet het vertrouwen in de overheid te herstellen, maar heeft eerder het omgekeerde effect. Het negatief beeld dat men heeft van de overheid wordt alleen maar versterkt.


13.Het probleem heeft niets met het legaliteitsbeginsel (art. 170 Grondwet) noch met het gelijkheidsbeginsel te maken. De Antigoonleer is immers geen wet en kan dus niet getoetst worden aan de Grondwet. Het gaat bovendien niet om een regel m.b.t. de vestiging van de belasting waar art. 170 Grondwet op betrekking heeft. De leer is ten andere duidelijk en voorzienbaar. Het probleem situeert zich echter in de toepassing en het bestaan van de Antigoonleer. Op zichzelf is deze natuurlijk voorzienbaar.


Het gelijkheidsbeginsel is eveneens niet geschonden, want er zijn geen toestanden die met elkaar kunnen vergeleken worden. Het gaat om de leer zelf !

De leer heeft ook niets te maken met de schending van het recht op privé-eigendom of de privacy van de burgers.


14.Antigoonleer biedt geen adequate oplossing.

Beter is het o.i. gewoon te voorzien dat de begane fouten moeten hersteld worden en de procedure laten hernemen vanaf het moment dat het fout liep. Eenieders rechten en plichten worden dan gerespecteerd. Niemand ontsnapt de dans en niemand wordt geschaad. En er wordt niet willekeurig gehandeld.


Dat is natuurlijk alleen mogelijk indien de begane overtreding kan hersteld worden zoals indien geen bericht van wijziging of geen proces-verbaal ter verantwoording van de btw schuld werd gestuurd. Of we denken aan procedurefouten in het kader van strafvervolging (bijv. een niet correcte verwijzing naar de correctionele rechtbank).


Maar het kan ook zijn dat de fout niet kan hersteld worden, bijv. een onwettige huiszoeking. Die kan men niet overdoen. Dan zou de voorkeur moeten gegeven worden aan de bescherming van de rechten van de burger.

 

 Heusden-Zolder, 11 augustus 2025


Henri Vandebergh,

Advocaat,


Vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de onderzoeksgroep CORe (Centrum voor overheid en recht) aan de UHasselt.

 


[1] Zie o.m. Cass. 22/05/2015, F.13.0077.N, Cass. 22/04/2022, F.17.0136.N. Het eerste arrest waarin de toepassing van de Antigoonleer in fiscaal recht bevestigd werd.

We gaan niet verder in op alle aspecten van deze leer. De rechtsleer en rechtspraak zijn zeer overvloedig.

[2] Zo hebben we meermaals meegemaakt dat de Bijzondere Belastinginspectie bij iemand, zonder veel omhaal, op bezoek kwam en heel intimiderend, zonder zich zelfs eerst voor te stellen, zei: “Geef maar toe hoeveel ‘zwart’ ge doet, we hebben alle bewijzen”. We voelden ons dikwijls in de “far west”. Er waren zeker misbruiken en wilde taxaties. Het ging er soms hard aan toe. Niet voor niets werd veel belang gehecht aan de procedure en correcte belastingheffing.

Een ander voorbeeld : een klant van ondergetekende moest op 24 december om 19 uur (!!) bij de rijkswacht komen. Hij werd er ondervraagd door een btw controleur. We zijn benieuwd hoe onze rechters hiermee zouden omgaan

[3] Lees ter zake ook :

- Henri Vandebergh, “Het fenomeen van de zichzelf verstevigende macht”, in Liber Amicorum Bernard Peeters, Knops Publishing, 2022, blz. 329 e.v.;

- Henri Vandebergh, “De wet van 1938 herbezocht of het fenomeen van de zichzelf verstevigende macht.”, TFR 1988, nr. 81-82 bijzonder nummer, blz. 220

[4] .“Pour qu’on ne puise abuser du pouvoir, il faut que, par la disposition des choses, que le pouvoir arrête le pouvoir », Montesquieu, De l’esprit des lois », Boek XI; Hfdst. IV.

[5] “Voor vrijheid en door recht ?”, R.W. 2024-25, nr. 32, 12 april 2025, blz. 1323.

[6] Lees ook Randal Lesaffer, “De rechtstaat? OWL, Press Legal, 2024.

[7] P. Popelier, “Beginselen van behoorlijk bestuur : begrip en plaats in de hiërarchie van de normen” in I. Opdebeek en M. Van Damme (eds), “Beginselen van behoorlijk bestuur”, Brugge, die Keure, 2006; P. Popelier, “Procederen voor het Grondwettelijk Hof”, Antwerpen, Intersentia, 2008, 145-146.

 
 
 

Recente blogposts

Alles weergeven

Opmerkingen


bottom of page