Het landbouwforfait is geen vrijbrief
- henrivandebergh
- 6 sep 2025
- 6 minuten om te lezen
1. De feiten en het oordeel van de rechter.
Landbouwers kunnen er voor kiezen een aangifte te doen van hun belastbare inkomsten volgens het bijzondere landbouwforfait. En de meeste landbouwers doen dat ook. Maar inzake btw doen vele landbouwers een aangifte van hun werkelijke ontvangsten en trekken de btw op hun kosten ,die onderworpen zijn aan btw, af. Ze combineren aldus een systeem van forfait met een systeem van werkelijke ontvangsten.
In casu deed men dat ook. Men diende een aangifte in de personenbelasting in overeenkomstig het toepasselijk landbouwforfait. Inzake btw koos men er voor de werkelijke inkomsten aan te geven en trok men de btw op de kosten af.
Na een controle maakte de administratie een afrekening aan de hand van de btw aangiften en bijkomende kosten waar geen btw op drukte, die dus niet in de btw aangifte waren verwerkt.
Men diende bezwaar in. Dit werd verworpen. Vervolgens kwam de zaak voor de rechtbank en nadien voor het Hof van Beroep. De rechter in beroep gaf, net als de rechter in eerste aanleg, de Belgische Staat gelijk.
De rechter oordeelde als volgt :
“De forfaitaire grondslagen van aanslag vormen een bijzonder bewijsmiddel van de administratie dat een wettelijk vermoeden uitmaakt (zie ook Cass. 20 februari 1968, Arr.Cass. 1968, 824). Van dit wettelijk vermoeden kan slechts gebruik worden gemaakt bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens (vb. een regelmatige boekhouding) aangezien de forfaitaire grondslagen van aanslag een bijzondere toepassing zijn van de taxatie bij vergelijking met drie soortgelijke belastingplichtigen zoals opgenomen in artikel 342, §1, eerste lid WIB92, die ook enkel toegepast kan worden bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens.
De toepassing van de forfaitaire grondslagen van aanslag zijn een bijzonder bewijsmiddel van de administratie. Net zoals het, in afwezigheid van bewijskrachtige gegevens, de belastingplichtige vrijstaat om al dan niet gebruik te maken van de door de administratie vastgestelde forfaitaire grondslagen van aanslag, is het de administratie toegelaten om middels andere toegelaten bewijsmiddelen aan te tonen dat de werkelijke winst van een belastingplichtige hoger is dan de forfaitair bepaalde winst. Gelet op het wettelijk vermoeden rust de bewijslast van het bestaan van de werkelijke winst op de administratie. De forfaitaire grondslagen van aanslag vormen aldus geen fiscale gunstmaatregel voor de belastingplichtige, die geen afdwingbaar recht heeft op de toepassing ervan. Evenwel, indien de belastingplichtige toepassing maakt van de door de administratie vastgestelde forfaitaire grondslagen van aanslag en de administratie slaagt in haar bewijslast om aan te tonen dat de werkelijke winst hoger is dan de forfaitair bepaalde winst, kan de belastingplichtige geen onjuiste aangifte worden verweten.”
Verder argumenteerde de rechter dat deze werkwijze van de administratie niet strijdig is met het legaliteitsbeginsel noch het gelijkheidsbeginsel.
De belastingplichtige kon ook geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel omdat dit het fiscaal bewijsstelsel zou uithollen. De toepassing van het forfait van vorige jaren schept geen recht op de toepassing van het forfait van volgende jaren.
In de handleiding “forfaits” wordt vermeld dat er van het forfait alleen mag afgeweken worden indien de werkelijke winst “aanzienlijk hoger” is dan de forfaitaire aangegeven winst. Wet “aanzienlijk hoger” in de praktijk betekent, is volgens de belastingplichtige niet duidelijk. Maar volgens de rechter betekent dit gewoon dat de administratie de berekende winst slechts in de plaats zal stellen van de forfaitaire aangifte, wanneer die werkelijke winst zoveel hoger is dan de aangegeven winst, dat een correctie zich opdringt teneinde te komen tot een juiste belastingheffing. En vermits de rechters toezicht uitoefenen op de berekening voor de administratie, wordt willekeurigheid uitgesloten.
Tenslotte beoordeelt de rechter nog de aftrek van enkele bijkomende kosten.
De rechter meent verder dat geen sanctie mag worden opgelegd omdat de belastingplichtige niet verweten kon worden een verkeerde aangifte te hebben ingediend. De belastingplichtige kon ervan uitgaan dat het forfait niet gunstiger is dan de wet toelaat.
2. Bemerkingen bij dit arrest.
De hier besproken casus is geen alleenstaand geval. De administratie maakt regelmatig afrekeningen zoals in casu. En in principe is daar geen bezwaar tegen.
Het arrest bevat juiste principes ter zake waar we niets kunnen tegen inbrengen, maar men ziet één zaak over het hoofd.
Het forfait staat niet in de weg dat de administratie mag bewijzen dat er hogere belastbare inkomsten genoten zijn dan forfaitair werden aangegeven. De administratie mag altijd bewijzen dat de ingediende aangifte verkeerd is. Aan dat principe kan niet getwijfeld worden.
Wat doet de administratie : ze gaat voort op de inzake btw ingediende aangiften, ze kent de werkelijke ontvangsten en kent een aantal kosten. Aldus tracht ze een afrekening te maken van het werkelijk genoten inkomen. De belastingplichtige landbouwer kan nog bijkomende kosten bewijzen en daar houdt de administratie dan ook rekening mee.
De rechters keuren deze werkwijze goed. Het hier besproken arrest is er een goed voorbeeld van.
Toch schort er iets aan deze werkwijze.
Het forfait is een toepassing van artikel 342 WIB/92, namelijk de taxatie bij vergelijking. Zoals in de aanhef van artikel 342 WIB/92 en zoals de rechter in het hier besproken arrest beklemtoont, onderstelt het forfait een gebrek aan bewijskrachtige gegevens. Er is dus geen volledige boekhouding die bewijskrachtig is.
Wanneer men dan enkele jaren later een winstafrekening opstelt uitgaande van de btw aangiften en met rekening te houden met nog bijkomende kosten die de landbouwer aanbrengt, dan stelt zich de vraag hoe dergelijke afrekening dan wel bewijskrachtig kan zijn. Een boekhouding moet dagelijks bijgehouden worden. Een na de feiten opgestelde boekhouding wordt nooit geaccepteerd als zijnde bewijskrachtig. Dit principe kan niet betwist worden. Nu zou een na de feiten opgestelde afrekening, die nog niet eens een boekhouding vormt, dat wel zijn. Dat is tegenstrijdig.
De landbouwer houdt geen volledige boekhouding bij. Dat is het uitgangspunt. Hij heeft dus geen overzicht van al zijn kosten. Daarbij komt nog dat in de boekhouding afschrijvingen worden opgenomen van de bedrijfsactiva. Die kunnen zeer oud zijn. Een schuur of loods wordt afgeschreven op dertig jaar. Een tractor is misschien reeds tien jaar oud of nog ouder. Men kent na zoveel jaren de werkelijke kostprijs niet meer. Men weet misschien zelfs niet meer welke activa nog in gebruik zijn. En men weet mogelijk niet meer exact hoe oud ze zijn en of ze nog wel afschrijfbaar zijn.
Men kan niet iemand verwijten geen volledige boekhouding te hebben in een systeem waar men vertrekt van het gegeven dat die er niet is.
Dus lijkt het ons tegenstrijdig te zijn een jaren na de feiten opgestelde winstafrekening te aanvaarden als een bewijs van de werkelijke inkomsten. Dergelijke afrekening kan geen rekening houden met alle elementen die er samen toe leiden het belastbaar inkomen te vormen, want die elementen zijn niet meer te kennen. Men bouwt met de gemaakte winstafrekening een vermoeden op( een feitelijk vermoeden) dat niet gesteund is op feiten die het vermoeden ondersteunen. Er wordt aldus gezondigd tegen het begrip “feitelijk vermoeden”. Een vermoeden moet steunen op feiten. Die zijn er in casu per definitie niet. Er is immers geen bewijskrachtige boekhouding. Er is alleen een afrekening die misschien een mooie poging is, maar verder niets.
Daar komt nog bij dat men in het forfait lonen mag aftrekken die forfaitair berekend zijn in functie van de geteelde oppervlakte. Dat gaat in tegen artikel 57 WIB/92 dat voorschrijft dat lonen moeten verantwoord worden middels loonfiches. In het landbouwforfait hoeft dat niet!! Wanneer men dan overstapt naar een systeem van werkelijke ontvangsten en kosten, moet men die wel bewijzen. Maar het forfait is er nu juist op gericht dat men dat niet meer moet doen. Hier loopt de werkwijze volledig mank.
Men zou hier het vertrouwensbeginsel kunnen inroepen. Maar algemeen wordt voorgehouden dat de landbouwer moet weten dat het forfait geen recht is en dat de administratie altijd mag bewijzen dat er hogere inkomsten zijn genoten dan werden aangegeven. De rechter is hierover duidelijk in het hier besproken arrest. Het vertrouwensbeginsel zou dus niet kunnen ingeroepen worden.
Maar specifiek wat betreft de lonen zou men wel het vertrouwensbeginsel kunnen inroepen .Men brengt de landbouwer immers in een onmogelijke positie .Men laat eerst de aftrek van forfaitair berekende lonen toe en later gaat men de landbouwer verwijten geen bewijzen van zijn lonen te hebben. Dat kan niet. Men zet hem op het verkeerde been.
Met een post factum opgestelde winstafrekening bewijst men o.i. dus niet afdoende het belastbare inkomen.
Henri Vandebergh
Advocaat
Vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de onderzoeksgroep CORe (Centrum voor overheid en recht) aan de UHasselt.
Heusden-Zolder 14 juli 2025.

Opmerkingen