Beoordeling van boete door de rechter
- henrivandebergh
- 6 sep 2025
- 43 minuten om te lezen
assatie 25 april 2025 : geen bevoegdheid van de rechter om de boete te veminderen indien niet vooraf een genadeverzoek is ingediend.;zijn artikel 70 wbtw en artikel 444 wib:92 strijdig met de grondwet en de europese verdragen ?
I. INLEIDING [1]
De problematiek van de beoordeling van sancties door de rechters blijft reeds meer dan twintig jaar voor discussies zorgen en het ziet er naar uit dat we nog niet aan het einde van onze lijdensweg zijn.
In een arrest d.d. 25 april 2025( F.22.0162.N en F.22/0166.N) heeft het Hof van Cassatie een controverse tussen de Nederlandtalige en Franstalige kamer van het Hof beslecht in voltallige zitting [2].
De vraag waar het over gaat, houdt reeds enkele jaren de fiscale gemoederen in beweging, namelijk : zijn de hoven en rechtbanken slechts bevoegd opgelegde boetes te verminderen onder het wettelijk (evt. minimum) tarief indien vooraf een genadeverzoek bij de Koning is ingediend ?
II. DE ONDERLIGGENDE FEITEN VAN HET ARREST D.D. 25 APRIL 2025.
Een zelfstandig accountant had enkele verkoopfacturen niet aangegeven. De btw diensten hadden dit ontdekt en vorderden de niet afgedragen btw. Daarbij werd voorgehouden dat de accountant fraude had gepleegd. Een boete van 200 % werd opgelegd.
Deze boete werd bestreden voor de rechtbank en nadien voor het Hof van Beroep te Gent. Dit verminderde in een arrest d.d. 22 maart 2022 de boete tot 100 %.
Het Hof motiveerde dit als volgt :
“De administratie heeft in toepassing van artikel 70, §lbis W.btw een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de belasting, voor ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht.
Samen met de administratie en de eerste rechter is ook dit hof van oordeel dat uit de feiten blijkt dat de (verweerder) bewust verschuldigde btw niet heeft aangeven en betaald.
De administratieve sanctie van 200% of hier concreet 67.830,00 euro heeft onmiskenbaar een repressief karakter. De rechter kan in dat geval de sanctie met volle rechtsmacht beoordelen. Zelfs al is de overtreding als zeer laakbaar aan te merken, oordeelt het hof dat ingevolge de stopzetting van zijn activiteiten als boekhouder en zijn pensioen, de kans op herval beperkt is waardoor de preventieve werking van de sanctie eerder beperkt zal zijn. Om die reden past het om de sanctie te herleiden naar 100%, hetgeen nog steeds zwaar is maar zich meer in een evenredige verhouding bevindt met de aard, de ernst en de omvang van de overtreding, mede gelet op de beperkte preventieve werking ervan. Ingevolge de manifeste fraude is het neutraliteitsbeginsel hier niet toepasselijk" (arrest, p.8, 4.3).”
Tegen deze beslissing werd een voorziening in cassatie ingesteld door de Belgische Staat.
Het Hof van Cassatie vernietigde het arrest van het Hof van Beroep in zoverre hierin de boete verminderd werd tot 100 % [3].
III. HET ONTSTAAN EN OPLOSSEN VAN EEN CONTROVERSE.
Het Hof van Cassatie beslecht een controverse die enkele jaren geleden is ontstaan. Het arrest voegt een nieuwe dimensie toe aan jarenlange rechtspraak en heeft grote gevolgen. Het kent een lange voorgeschiedenis.
1) De rechtspraak tot op heden.
Reeds jaren wordt geoordeeld dat de rechter boetes (en inzake inkomstenbelasting – belastingverhogingen) kon verminderen naar “evenredigheid”. De rechtspraak was standvastig.
Er bestaat geen betwisting over het principe dat fiscale administratieve sancties onder bepaalde voorwaarden kunnen beschouwd worden als straffen in de zin van artikel 6 EVRM [4].
Dit heeft tot gevolg dat de waarborgen, gekoppeld aan artikel 6 EVRM gelden, zoals het recht op de toegang tot een rechterlijke instantie die met volle rechtsmacht kan oordelen [5].
In een recent arrest ter zake d.d. 24 maart 2023 herhaalt de Nederlandstalige kamer van het Hof haar leer voor de zoveelste keer [6]:
“De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van (…) te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen.”[7]
Het gaat hier om constante rechtspraak die we niet allemaal opsommen [8].
De toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is gegrond op het EVRM, het handvest van de Grondrechten van de EU en ons interne recht m.n. de beginselen van behoorlijk bestuur.
De rechter mag evenwel geen rekening houden met verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige of om loutere redenen van opportuniteit de boete verminderen [9].
De draagwijdte van deze rechtspraak wordt onduidelijk doordat de rechter in acht moet nemen in welke mate de administratie zelf gebonden is. We komen hier verder op terug.
2) Het ontstaan van een controverse.
Op 17 januari 2019 velde de Franstalige Kamer van het Hof van Cassatie een arrest waarin het hof stelde dat de rechter niet bevoegd is om de boete ingeval van fraude te verminderen onder het wettelijk tarief indien niet vooraf een genadeverzoek bij de Koning was ingediend om kwijtschelding resp. vermindering van de boete. Het wettelijk tarief van de boete ingeval van fraude bedraagt 200 %. Dat tarief wordt niet verminderd in een koninklijk besluit. De administratie is dus niet bevoegd af te wijken van dat tarief en volgens het Hof van Cassatie de rechter dan ook niet, tenzij eerst een genadeverzoek is ingediend [10].
De Franstalige Kamer van het Hof herhaalt dit standpunt in een arrest d.d. 16 mei 2022 (F.20.0141.F) [11] en 2 maart 2023 (F.21.0172.F) [12].
De Franstalige Kamer houdt daarbij ook voor dat de rechter niet alleen kan oordelen of de opgelegde boete evenredig is, maar, net zoals de administratie, ook kan rekening houden met andere elementen eigen aan de belastingplichtige in kwestie en dus naar opportuniteit kan oordelen. De rechter heeft immers dezelfde bevoegdheid als de administratie. Bij het beslissen over een genadeverzoek om vrijstelling van boete kan de administratie zelf een opportuniteitsoordeel vellen en dus kan de rechter dat ook.
Wat dit laatste betreft wijken de arresten van de Franstalige Kamer af van de klassieke rechtspraak van de Nederlandstalige Kamer van het Hof van Cassatie. Deze houdt namelijk in dat de rechter geen rekening kan houden met de persoon van de belastingplichtige en dus geen opportuniteitsoordeel kan vellen (zie supra).
De Nederlandstalige kamer van het Hof van Cassatie was op 23 september 2022 (F.20.0112.N) echter een andere mening toegedaan. Men was van mening dat de rechter de boete onder het wettelijk tarief van 200 % mocht verminderen, ook al was vooraf geen genadeverzoek bij de Koning ingediend [13].
Merk wel op dat het gaat over een evenredigheidstoets en geen opportuniteitstoets.
Het Hof herhaalt dit in het hiervoor reeds geciteerde arrest d.d. 24 maart 2023 [14]:
“Het onderdeel berust volledig op de onjuiste veronderstelling dat de uitoefening van dit toetsingsrecht, dat de rechter ontleent aan het vereiste van toetsing met volle rechtsmacht dat vervat ligt in artikel 6, 1 EVRM, afhankelijk is van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 bij de minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde administratieve geldboete heeft ingediend”.
Het Hof treedt advocaat-generaal J. Van der Fraenen bij die in zijn advies stelde :
“In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 9 van het organiek Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831, is het m.i. niet ontvankelijk.
Uw Hof oordeelde in een arrest van 16 februari 2007 immers inzake artikel 84, tweede lid, WBTW en artikel 9 van het organiek Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 dat “de genoemde bepalingen die verband houden met het genaderecht van de uitvoerende macht, vreemd zijn aan de opgeworpen grieven over de toetsingsbevoegdheid van de rechter waarover de appèlrechters uitspraak hebben gedaan”, (Cass. 16 februari 2007, AR C.04.0390.N,TC2007, nr. 99, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2).
Dit geldt ook in voorliggend geval.
De volheid van bevoegdheid waarmee de rechter op grond van artikel 6 EVRM kan overgaan tot de toetsing van een strafrechtelijke sanctie in de zin van die bepaling lijkt mij niet afhankelijk van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentbesluit van 18 maart 1831 bij de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de administratieve geldboete heeft ingediend. (In andere zin: Cass. 17 januari 2019, AR F.16.0130.F, AC 2019, nr. 30, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190117.1. Ik treed echter de kritiek bij van F. KONING, “Le pouvoir d’appréciation du juge fiscal sur la sanction administrative infligée au contribuable et le moment du recours auprès du ministre des finances”, JT2019, afl. 6793, p. 813). De rechter ontleent zijn toetsingsbevoegdheid immers rechtstreeks aan artikel 6 EVRM”. [15]
Twee kamers van het Hof van Cassatie hielden er aldus een andere mening op na [16].
De Nederlandstalige hoven en rechtbanken bleven de boete beoordelen naar evenredigheid, ongeacht of er vooraf een genadeverzoek was ingediend of niet. Men volgde de versie van de Nederlandstalige Kamer van het Hof van Cassatie.
De motivering van de Nederlandstalige Kamer was dat het genaderecht dat voorzien wordt in artikel 9 van het Organiek Regentbesluit van 18 maart 1831 in deze niet ter zake doet. Dit genaderecht, dat behoort tot de prerogatieven van de uitvoerende macht, kan immers geen afbreuk doen aan de volheid van bevoegdheid waarmee een rechter op grond van artikel 6 EVRM kan overgaan tot de toetsing van een strafrechterlijke sanctie in de zin van deze bepaling.
Het genaderecht, voorzien in voormeld Regentsbesluit is evenmin te beschouwen als een verplicht administratief beroep, dat overeenkomstig artikel 1385undecies Ger.W. moet worden ingesteld, alvorens een ontvankelijk beroep bij de rechter kan worden ingesteld [17]. Het feit dat voorafgaand geen genadeverzoek werd gericht tot de minister in toepassing van voormeld Regentsbesluit kan geen gevolgen hebben op de beoordelingsbevoegdheid van de rechter op grond van artikel 6 EVRM, De rechter ontleent zijn beoordelingsbevoegdheid rechtstreeks aan artikel 6 EVRM en deze bevoegdheid wordt niet ingeperkt doordat de belastingplichtige niet eerst een genadeverzoek heeft ingediend [18].
De evenredigheid van de boete kon derhalve getoetst worden. De boete kan op grond hiervan verminderd worden beneden het wettelijk tarief.
Juristen kunnen zich uitleven in het interpreteren en plaatsen van arresten van het Hof van Cassatie. En zelden zullen allen op dezelfde golflengte zitten.
Zo ook in casu. Verschillende auteurs houden voor dat de hiervoor besproken arresten van resp. de Nederlandstalige en Franstalige kamers van het Hof van Cassatie niet (volledig) tegenstrijdig zijn, of dat minstens aan de tegenstrijdigheid kan getwijfeld worden [19].
We laten deze discussie voor wat ze is.
3) Oplossing van de controverse : het arrest van 25 april 2025.
Het Hof van Cassatie heeft nu de puntjes op de “i” gezet en het conflict opgelost. Daartoe is het Hof in voltallige zitting bijeengekomen, beide taalgroepen samen dus.
De rechter is niet bevoegd de boete te verminderen onder het wettelijk tarief indien niet vooraf een genadeverzoek bij de Koning is ingediend, zo meent het Hof.
Het Hof oordeelde als volgt :
“De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, Btw-wetboek, die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief.
Aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst.
Krachtens artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, beschikt de minister van Financiën op de verzoeken om kwijtschelding van boeten of verhogingen van recht ten titel van boeten, andere dan degene uitgesproken door de rechter.
Uit het voormelde principe dat, om te voldoen aan het vereiste van een toets met volle rechtsmacht, niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan het toezicht van de rechter mag ontsnappen, volgt dat wanneer de belastingplichtige opkomt tegen de beslissing van de minister of zijn gemachtigde over een verzoek met toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit, de rechter de boete moet kunnen kwijtschelden of verminderen op dezelfde wijze als de minister of zijn gedelegeerde dat kan.
De appèlrechter oordeelt dat:
- de administratie bij toepassing van artikel 70, § 1, Btw-wetboek aan de verweerder een geldboete heeft opgelegd gelijk aan het dubbel van de niet betaalde belasting;
- uit de feiten blijkt dat de verweerder bewust verschuldigde btw niet heeft aangegeven en betaald;
- de administratieve sanctie van 200 %. of hier concreet 67.830 euro onmiskenbaar een repressief karakter heeft en de rechter in dat geval de sanctie met volle rechtsmacht kan beoordelen;
- zelfs al is de overtreding zeer laakbaar, de kans op herval van de verweerder ingevolge de stopzetting van zijn activiteit als boekhouder en zijn pensioen beperkt is waardoor de preventieve werking van de sanctie eerder beperkt zal zijn;
- het om die reden past de sanctie te herleiden naar 100 %., hetgeen nog steeds zwaar is, maar zich meer in een evenredige verhouding bevindt met de aard, de ernst en de omvang van de overtreding, mede gelet op de beperkte preventieve werking ervan.
Door buiten de context van een beroep tegen de beslissing van de minister of zijn gedelegeerde over een verzoek tot kwijtschelding met toepassing van artikel 9 Regentbesluit, de boete met toepassing van artikel 6.1 EVRM te verminderen tot beneden het wettelijk tarief van 200 % van de verschuldigde belasting, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht”
Het Hof gaat daarmee in tegen het advies van advocaat-generaal J. Van der Fraenen. Niettemin is diens advies zeer lezenswaardig. Hij gaat diep in op de problematiek. We raden de lectuur ervan zeer aan.
IV. DRAAGWIJDTE VAN HET ARREST.
Het arrest d.d. 25 april 2025 heeft grote gevolgen. Het Hof van Cassatie maakt komaf met 25 jaar van haar eigen rechtspraak.
Overeenkomstig dit arrest mag de rechter slechts een boete verminderen beneden het wettelijk (minimum) tarief indien vooraf een genadeverzoek is ingediend. Dat is nu duidelijk. Tot nu toe bestond hierover betwisting zoals blijkt uit de hiervoor beschreven controverse [20].
Maar de rechter mag meer : hij/zij is nu niet meer gehouden tot een beoordeling op grond van het evenredigheidsbeginsel en andere beginselen. De rechter is niet gebonden door de grenzen van de wet. Hij/zij mag hierbuiten treden. Dit is nieuw en wijkt af van de hiervoor geciteerde rechtspraak van de Nederlandstalige kamer van het hof. Daarin ging het nog steeds om een evenredigheidstoets ook al kan de rechter de sanctie bepalen onder het wettelijk minimum.
Vermits de administratie in het kader van een genadeverzoek bij de Koning de opportuniteit van de bestraffing kan beoordelen, rekening houdend met alle omstandigheden en de persoon van de bestrafte, zal de rechter dit ook kunnen.
De wettelijkheid van de bestraffing, en dus ook de toepassing van het evenredigheidsbeginsel, is nu niet meer aan de orde.
Vermits een genadeverzoek slechts kan ingediend worden nadat alle procedures over de wettelijkheid van de belastingheffing en bestraffing uitgeput zijn [21], is de wettelijkheid reeds vooraf beoordeeld.
Het arrest van 25 april 2025 doet geen afbreuk aan de voorafgaande beoordeling van de wettelijkheid van de straf, zoals : is men wel schuldig ? Werden de tarieven van de boete correct toegepast ? enz.
Uit het arrest volgt dat de boete van 200 % inzake btw niet kan verminderd worden door de rechter indien geen genadeverzoek is ingediend. Er is immers geen gradatie in deze boete. Het is een eenvormig tarief. En volgens het Hof kan de rechter de boete niet verminderen onder het wettelijk tarief, tenzij een genadeverzoek is ingediend.
We komen er infra op terug of dit alles wel aansluit bij de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Dit stelt dat de wetgever geen onredelijke straffen mag opleggen.
V. ANALYSE VAN HET ARREST VAN 25 APRIL 2025.
Het Hof houdt verschillende zaken voor :
1.De rechter moet w.b. sancties met een repressief karakter de wettigheid ervan onderzoeken. Bovendien mag hij nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de Internationale verdragen en de algemene rechtsbeginselen.
Tot zover wijkt het hof niet af van vroegere rechtspraak.
De rechter mag dus onderzoeken of de sanctie niet onevenredig is.
Het evenredigheidsbeginsel is een algemeen rechtsbeginsel en is verwoord in art. 49 van het EU handvest van de grondrechten van de burgers (zie ook infra).
2.Maar dan vervolgt het Hof :
Dat de volle rechtsmacht waarover de rechter beschikt, niet inhoudt dat de rechter de sanctie mag verminderen beneden het wettelijk minimum of het wettelijk vastgelegd vaste boetetarief.
Dat lijkt ons tegenstrijdig te zijn met het eerste punt, nl. dat de rechter de evenredigheid van de sanctie mag beoordelen. Immers, het wettelijk vaste tarief van de boete kan onevenredig zijn in bepaalde gevallen.
Als de sanctie niet mag verminderd worden beneden het wettelijk minimum of vast tarief, blijft er van de evenredigheidstoets niets meer over. Deze toets houdt, a.h.w. per definitie, in dat de sanctie verminderd wordt beneden het vastgestelde tarief. Men kan een sanctie niet verminderen tot een evenredig bedrag indien men niet beneden het wettelijk tarief mag verminderen, indien dat wettelijk tarief onevenredig zou zijn.
Dan blijft alleen de wettigheidstoets over.
Het speelt dan geen rol meer of de sanctie onevenredig is.
3.Het Hof vervolgt :
Alles wat onder de bevoegdheid van de administratie valt, moet door de rechter kunnen worden getoetst.
De vraag is dan : “wat valt onder de bevoegdheid van de administratie ?” Dat is niet zo duidelijk.
Mag de administratie de sanctie verminderen onder het wettelijk minimum ?
Zij mag dit in elk geval wanneer ze oordeelt over een genadeverzoek (zie verder).
Maar ook zonder dergelijk verzoek kan de administratie dat ! In de praktijk worden dikwijls, in het kader van een akkoord, de sancties verminderd beneden het wettelijk minimum. (De vraag is dan natuurlijk of dit wettelijk is).
Maar, wat er ook van weze, de administratie is, volgens het Grondwettelijk Hof, eveneens gehouden het evenredigheidsbeginsel toe te passen. (We gaan hierna dieper in op deze rechtspraak). En dat houdt in dat de administratie een sanctie naargelang de omstandigheden moet verminderen beneden het wettelijk minimum. Anders blijft de toepassing van het evenredigheidsbeginsel een lege doos, zoals we supra uitlegden.
Dus moeten we besluiten dat de rechter de sanctie, net als de administratie, altijd mag verminderen beneden het wettelijk minimum indien de toepassing van het evenredigheidsbeginsel dit vereist, ook al is geen genadeverzoek ingediend. Wat de administratie kan of moet , moet immers ook de rechter kunnen.
Het arrest zit vol tegenstrijdigheden.
4.Dan stelt het Hof :
Indien een belastingplichtige een genadeverzoek indient bij toepassing van het Regentsbesluit van 1831, moet de rechter de sanctie kunnen kwijtschelden of verminderen zoals de minister of zijn gedelegeerde dit kan.
Vermits de administratie de boete kan kwijtschelden of verminderen (het is een genadeverzoek), zal de rechter dit ook kunnen. De rechter is nu, net als de administratie, niet meer gebonden door het evenredigheidsbeginsel. Men kan nu oordelen, rekening houdend met alle omstandigheden. M.a.w. de opportuniteit van de sanctie kan beoordeel worden.
Zonder dat een genadeverzoek is ingediend, kan de rechter dit niet.
Hier komt het beginsel van de scheiding der machten aan de orde. De rechter heeft de bevoegdheid de toepassing van de wet te controleren. De rechter moet altijd oordelen binnen de marges van de wet. Dit evenredigheidsbeginsel maakt deel uit van de wet. Zonder genadeverzoek kan de rechter dus niet in alle vrijheid oordelen.
Dat de rechter, na het indienen van een genadeverzoek, een ruimere bevoegdheid heeft, is logisch en correct. Er zonder is de rechter gebonden aan het evenredigheidsbeginsel. Maar zoals supra gesteld, dat moet inhouden dat de rechter de sanctie mag verminderen beneden het wettelijk minimum, bovendien ook zonder dat een genadeverzoek is ingediend (we komen er hierna nog op terug).
VI. GELDT HET ARREST ALLEEN IN GEVALLEN WAAR ER SPRAKE IS VAN FRAUDE ?
Het arrest betreft een situatie waarin er sprake is van fraude.
De vraag is dan of we dit arrest ook in acht moeten nemen in situaties waarin de verminderde tarieven die gelden indien geen fraude werd gepleegd, wel van toepassing zijn.
De auteurs van een commentaar in Fiscoloog zijn van mening dat het arrest niet van toepassing is in andere dan fraudegevallen [22].
We twijfelen hieraan.
Het Hof van Cassatie stelt dat het beginsel dat een strafsanctie moet kunnen voorgelegd worden aan een rechter met volle rechtsmacht, niet inhoudt dat de rechter de geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of beneden het door de wet vastgelegde tarief.
Indien we onder “wet” ook de koninklijke besluiten mogen verstaan, dan geldt het arrest ook in situaties waarin het niet om fraude gaat. De administratie is immers ook niet bevoegd de boete te verminderen onder de tarieven die vastgelegd zijn in de koninklijke besluiten (zie evenwel ook hierna). Alleen indien een genadeverzoek bij de Koning is ingediend, is de administratie bevoegd de boete te verminderen onder het wettelijk minimum volgens het Hof van Cassatie (desgevallend het minimum vastgelegd in de koninklijke besluiten). En dus zou, in de context van het arrest d.d. 25 april 2025, ook de rechter alleen in dat geval de boete onder het wettelijk minimum mogen verminderen.
Wanneer we ervan uitgaan dat de rechter geen grotere bevoegdheden heeft dan de administratie, de rechter dus alleen een controleplicht heeft, en de administratie niet bevoegd is af te wijken van het tarief van de boete van 200 % ingeval van fraude, is de uitspraak van het Hof van Cassatie in haar arrest d.d. 25 april 2025 niet meer dan logisch. De rechter mag niet méér dan de administratie ( zie evenwel onze bemerkingen infra).
Maar dan geldt onderhavig besproken arrest, logischerwijze, ook wat betreft de schalen van bestraffing in de koninklijke besluiten, want ook van die schalen mag de administratie niet afwijken.
Inzake inkomstenbelastingen zijn tarieven vastgelegd in artikel 444 WIB/92 van 10 % tot 200 %. In artikel 225 en 226 KB/WIB worden de tarieven gemoduleerd naargelang het gaat om een eerste of volgende overtreding en naargelang er fraude werd gepleegd of niet. De administratie is echter ook hier gebonden door de tarieven en kan er dus niet van afwijken en dus zou het hier besproken arrest ook dan van toepassing zijn.
VII. CONFORMITEIT VAN HET ARREST D.D. 25 APRIL 2025 MET DE RECHTSPRAAK VAN HET GRONDWETTELIJK HOF.
Het Grondwettelijk Hof heeft zich reeds menigmaal uitgesproken over de grondwettelijkheid van de fiscale boetes.
Zo heeft het Hof onder meer in een arrest d.d. 18 juli 2024 (nr. 135/2021) gesteld :
“B.4.1. De in artikel 70, § 4, van het BTW-Wetboek bedoelde fiscale boete heeft tot doel de niet in de paragrafen 1, 2 en 3 bedoelde overtredingen van hetzelfde Wetboek en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te voorkomen en te bestraffen. Ze heeft derhalve een repressief karakter en is strafrechtelijk van aard in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Het Hof dient bijgevolg, bij de toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, rekening te houden met de waarborgen vervat in dat artikel 6 en, met name, de waarborg dat een onafhankelijke en onpartijdige rechter een controle met volle rechtsmacht kan uitoefenen op de door de bevoegde administratieve overheid opgelegde geldboete.
B.4.2. Het staat aan de wetgever te oordelen of het aangewezen is de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer die overtredingen inzonderheid het algemeen belang schaden. Maar indien hij van oordeel is dat de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie te moduleren, dan mag niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter kunnen ontsnappen.
B.4.3. Hieruit volgt dat artikel 70, §§ 1 en 4, van het BTW-Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing om fiscale geldboetes op te leggen.
Aldus kan de rechter nagaan of de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd. In voorkomend geval zal hij de boete kunnen moduleren, te dezen opheffen of verminderen binnen de in de aan de administratie gestelde grenzen."
Het probleem bij deze uitspraak is wat men dient te verstaan met de zinsnede : ”binnen de aan de administratie gestelde grenzen”
Zou men moeten aanvaarden dat de administratie geen boete mag opleggen beneden de wettelijke minima( in de wet of de koninklijke besluiten), dan moeten we besluiten dat de rechter dat dus ook niet zal mogen doen.
Zou de administratie alleen in antwoord op een verzoek om kwijtschelding van de boetes bij toepassing van het regentsbesluit uit 1831 de boete mogen verminderen beneden het wettelijke minimum, dan zal de rechter dat dan dus ook alleen mogen doen wanneer de belastingplichtige een dergelijk verzoek heeft ingediend. Maar in dat geval zal de rechter ook kunnen oordelen op opportuniteitsgronden, vermits de administratie dat ook kan, zoals we supra in deze bijdrage reeds schreven.
De administratie is evenwel in principe zelf ook gebonden door het evenredigheidsbeginsel, maar dit moet genuanceerd worden.
In een arrest d.d. 18 juli 2024 (arrest nr. 86/2024) stelt het Grondwettelijk Hof i.v.m. art. 70 § 4 WBTW :
“B.4.2. Het staat aan de wetgever te oordelen of het aangewezen is de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer die overtredingen inzonderheid het algemeen belang schaden. Maar indien hij van oordeel is dat de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie te moduleren, dan mag niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter kunnen ontsnappen.
B.4.3. Hieruit volgt dat artikel 70, §§ 1 en 4, van het BTW-Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing om fiscale geldboetes op te leggen.
Aldus kan de rechter nagaan of de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd. In voorkomend geval zal hij de boete kunnen moduleren, te dezen opheffen of verminderen binnen de in de aan de administratie gestelde grenzen.”
Uit dit arrest onthouden we dat de rechter pas over de evenredigheid van de boete kan oordelen indien ook de administratie het evenredigheidsbeginsel in acht moet nemen. De rechter kan dus, op het eerste zicht, niet méér dan wat de administratie mag. De rechter beoordeelt het werk van iemand anders, in casu de administratie en verbetert dat desgevallend (zie evenwel ook infra, einde van punt IX).
Blijkbaar wordt art. 70 § 1 en 4 WBTW aldus geïnterpreteerd dat in de beoogde situatie de administratie gebonden is door het evenredigheidsbeginsel [23].
Nog duidelijker is het Grondwettelijk Hof in een zeer recent arrest d.d. 19 juni 2025 (arrest 90/2025, rolnr. 8151) :
“B.7.3. Bovendien dient de belastingadministratie bij de toepassing van de in het geding zijnde bepalingen (art. 444 WIB/92 jo art. 226 KB/WIB)in een concreet geval de beginselen van behoorlijk bestuur te eerbiedigen, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Die beginselen verhinderen dat de belastingadministratie op arbitraire wijze de in het geding zijnde bepalingen zou toepassen of niet op afdoende wijze de redenen zou uiteenzetten die haar beslissing dragen, wat in voorkomend geval door de bevoegde rechter dient te worden nagegaan.”
En verder :
“B. 18.3. Het bodemgeschil betreft echter geen situatie waar de belastingadministratie en de rechter een volstrekt gebonden bevoegdheid hebben. Bij een eerste overtreding van een belastingplichtige wegens een onvolledige of onjuiste aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken, beschikt de belastingadministratie, krachtens artikel 444, tweede lid, van het 1 WIB 1992, in samenhang gelezen met artikel 226 van het KB/WIB 1992, over een beoordelingsbevoegdheid om de belastingverhoging van minstens 10 % al dan niet effectief toe te passen.
B.18.4. Aangezien de rechter een toetsing met volle rechtsmacht uitoefent op de belastingverhoging, kan de rechter binnen dezelfde grenzen als die van de belastingadministratie nagaan of, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de belastingverhoging en de daaruit voortvloeiende aftrekbeperking al dan niet dienen te worden toegepast.”
Hiermee is weer een en ander duidelijk :
· De administratie moet bij het opleggen van boetes of belastingverhogingen verschillende beginselen in acht nemen, o.a. het evenredigheidsbeginsel.
· De rechter houdt hier toezicht op.
· Bij een eerste overtreding zonder opzet van belastingontduiking kan afgezien worden van de belastingverhoging van 10 %.
Hier is er geen sprake van een gebonden bevoegdheid. De rechter kan/moet nagaan of de belastingverhoging van 10 % moet toegepast worden. Hij/zij kan de beslissing van de administratie hierover desgevallend verbeteren en dus zijn/haar beslissing in de plaats stellen van deze van de administratie.
Het moge duidelijk zijn dat het Grondwettelijk Hof het niet nodig acht dat vooraf een genadeverzoek bij de Koning wordt ingediend noch wanneer het gaat om een eerste overtreding met een minimumboete van 10 %, noch in andere situaties.
Of de administratie een aantal hiervoor opgesomde beginselen in acht moet nemen, is een feitenkwestie die verschilt van geval tot geval.
Een situatie waarin het Grondwettelijk Hof ervan uitging dat de administratie niet bevoegd was om rekening te houden met het evenredigheidsbeginsel, vinden we in een arrest van het Grondwettelijk Hof d.d. 05/mei 2022, (nr. 61/2022), waarin het Hof stelt :
“De rechter bij wie een beroep is ingesteld tegen een beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt opgelegd aan de overtreder, moet kunnen nagaan of de beslissing van de bestraffende beambte in rechte en in feite verantwoord is, in het bijzonder of het verantwoord is een dergelijke sanctie uit te spreken ten aanzien van alle relevante elementen van de zaak. Er bestaat een algemeen beginsel dat de rechter steeds moet kunnen nagaan of iemand enige schuld treft. De rechter dient dus binnen dezelfde grenzen als die van de bestraffende beambte de opgelegde administratieve geldboete al dan niet te bevestigen, zonder het bedrag ervan te kunnen moduleren.”
Twee zaken vallen op:
- De rechter moet steeds kunnen beoordelen of iemand schuld treft.
- De rechter moet binnen de grenzen die de bestraffende ambtenaar heeft, de geldboete al dan niet bevestigen, zonder het bedrag te kunnen moduleren.
Dit laatste zou dus betekenen dat de rechter de boete niet kan verminderen beneden het wettelijk minimum indien de bestraffende ambtenaar dit ook niet kan (zie evenwel infra, einde van punt IX).
Zou de beambte de boete wel mogen verminderen beneden het wettelijk minimum bij toepassing van het evenredigheidsbeginsel, dan zal de rechter dat ook kunnen. In de casus van het arrest d.d. 5 mei 2022 kan de ambtenaar dat blijkbaar niet [24].
Al met al blijft het onduidelijk in de rechtspraak van het Grondwettelijk of de administratie en nadien de rechter bij toepassing van het evenredigheidsbeginsel en andere vernoemde beginselen, de boete of belastingverhoging mag verminderen beneden het wettelijk minimum.
Er is één situatie waarin dat kan, nl. w.b. de belastingverhoging van 10 % bij een eerste overtreding zonder opzet van belastingontduiking. Maar het is niet duidelijk of het in andere situaties ook kan.
De rechter mag niet méér dan de administratie mag. De vraag is dus of de administratie op grond van het evenredigheidsbeginsel mag afwijken van de minimumboetes. We denken van wel (zie supra). Indien de evenredigheid dwingt af te wijken van de minima, dan zal de administratie dat moeten doen, en dus ook de rechter.
VIII. DOORSTAAT EEN ALTIJD VASTSTAANDE BOETE VAN 200 % DE TOETSING AAN HET GELIJKHEIDSBEGINSEL ?
De vraag is of een onveranderlijke boete van 200 % niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel nu in strafzaken de boete altijd geïndividualiseerd is naar de persoon en de omstandigheden van de begane overtreding.
In een arrest d.d. 7 oktober 2021 ( arrest nr.135/2021) hield het Grondwettelijk Hof voor dat een boete van 200 % onder bepaalde voorwaarden niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en (inherent daaraan) het evenredigheidsbeginsel, in samenhang met artikel 1 EAP EVRM (schending van het recht op privé eigendom). Het Hof stelde :
“B.10.2. Het staat aan de wetgever te oordelen of het wenselijk is de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een inbreuk het algemeen belang schaadt, vooral in een aangelegenheid die, zoals te dezen, aanleiding geeft tot een aanzienlijke fraude. Die gestrengheid kan onder meer de omvang van de geldboete betreffen.
Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen af keuren indien die kennelijk onredelijk zou zijn. met name doordat zij op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het algemene beginsel volgens hetwelk inzake sancties niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, ontsnapt aan de toetsing van de rechter, of aan het recht op het ongestoorde genot van de eigendom, wanneer de wet in een onevenredig bedrag voorziet en niet de mogelijkheid biedt van een spreiding tussen die straf als maximumstraf en een minimumstraf."
(...)
"B.10.4. Te dezen dient te worden aangenomen dat de sanctie ten bedrage van het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting niet onevenredig is ten aanzien van het gepleegde misdrijf, rekening houdend met de weerslag die de belastingontduiking kan hebben op de Schatkist en de concurrentieverstoringen die daaruit kunnen voortvloeien voor de bedrijven die wel hun fiscale verplichtingen nakomen, met de mogelijkheid om de in de wet bepaalde boete te vervangen door een verminderde proportionele boete of geheel of gedeeltelijk te laten kwijtschelden (artikel 84, derde lid, van het BTW-Wetboek, artikel 1, eerste lid, 1°, en tweede lid van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en artikel 9 van het organiek besluit van de Regent van 18 maart 1831 « van het bestuur van 's lands middelen ») en met de bij de voormelde arresten vermelde bevoegdheid van de rechtbanken om met volle rechtsmacht toe te zien op al wat onder de beoordeling van de administratie valt. De door die geldboeten veroorzaakte inmenging in het recht op het ongestoorde genot van de eigendom, dat gewaarborgd is bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is bijgevolg evenredig en redelijk verantwoord.” [25]
Het Grondwettelijk Hof stelde in een arrest d.d. 14 december 2016 (arrest nr. 159/2016) evenwel nog iets anders, nl.:
“B.3.1. Wanneer de dader van eenzelfde feit op een alternatieve wijze kan worden gestraft, dat wil zeggen wanneer hij, voor dezelfde feiten, ofwel naar de correctionele rechtbank kan worden verwezen ofwel hem een administratieve geldboete kan worden opgelegd waartegen hem een beroep wordt geboden voor een rechtbank, heeft het Hof geoordeeld dat er in beginsel een parallellisme moet bestaan tussen de maatregelen van individualisering van de straf: wanneer voor dezelfde feiten de correctionele rechtbank een boete kan opleggen die minder bedraagt dan het wettelijk minimum indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn (artikel 85 van het Strafwetboek) of wanneer uitstel kan worden toegekend (wet van 29 juni 1964), moet de rechtbank, waarbij het beroep tegen de beslissing om een administratieve sanctie op te leggen aanhangig is gemaakt, in beginsel over dezelfde mogelijkheden van individualisering van de straf beschikken.
B.3.2. De redenering die wordt gehouden in B.3.1 kan echter te dezen niet worden overgenomen, aangezien de feiten bedoeld in artikel 23duodecies, § 1, van de Brusselse Huisvestingscode, zoals het op het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil van toepassing is, geen strafrechtelijk misdrijf uitmaken en dus niet voor de correctionele rechtbank kunnen worden vervolgd.
(…)
B.4.2. Die administratieve geldboete is strafrechtelijk van aard in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Het Hof dient bijgevolg, bij de toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, rekening te houden met de waarborgen vervat in dat artikel 6 en, met name, de waarborg dat een onafhankelijke en onpartijdige rechter een controle met volle rechtsmacht kan uitoefenen op de door de bevoegde administratieve overheid opgelegde geldboete.
B.5. De in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vervatte waarborgen vereisen niet dat op iedere persoon ten aanzien van wie een administratieve geldboete wordt opgelegd die als een strafrechtelijke sanctie in de zin van die bepaling wordt gekwalificeerd, dezelfde maatregelen tot verzachting van de straf kunnen worden toegepast als die welke de persoon geniet ten aanzien van wie een sanctie wordt opgelegd die als een strafrechtelijke sanctie in de zin van het interne recht wordt gekwalificeerd.
B.6. Wanneer de ordonnantiegever oordeelt dat sommige inbreuken op wettelijke bepalingen moeten worden bestraft, behoort het tot zijn beoordelingsbevoegdheid te beslissen of het opportuun is om voor strafsancties sensu stricto of voor administratieve sancties te opteren. De keuze van de ene of de andere categorie van sancties kan op zich niet worden geacht discriminerend te zijn.
Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat uit die keuze voortvloeit, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.
B.7. De vaststelling van de ernst van een tekortkoming en de zwaarwichtigheid waarmee die tekortkoming kan worden bestraft, behoren tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever. Hij mag bijzonder zware straffen opleggen in aangelegenheden waar de aard van de inbreuken de grondrechten van de burgers en de belangen van de gemeenschap ernstig kan aantasten.
Het staat derhalve aan de wetgever om de perken en de bedragen vast te stellen waarbinnen de beoordelingsbevoegdheid van de administratie, en bijgevolg die van de rechtbank, moet worden uitgeoefend. Het Hof zou een dergelijk systeem alleen kunnen afkeuren indien het kennelijk onredelijk is, met name doordat het op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het algemene beginsel volgens hetwelk inzake sancties niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, ontsnapt aan de toetsing van de rechter, of aan het recht op het ongestoorde genot van de eigendom, wanneer de wet in een onevenredig bedrag voorziet en niet de mogelijkheid biedt van een spreiding tussen die straf als maximumstraf en een minimumstraf.
Buiten die gevallen zou het Hof zich op het aan de wetgever voorbehouden domein begeven, indien het bij de vraag naar de verantwoording voor verschillen in de talrijke wetteksten houdende strafrechtelijke of administratieve sancties, zijn onderzoek, wat de strafmaat en de maatregelen tot verzachting ervan betreft, niet zou beperken tot de gevallen waar de keuze van de wetgever dermate onsamenhangend is dat ze leidt tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling.”
Het Hof maakt hier een onderscheid naargelang een persoon voor dezelfde feiten ofwel een correctionele veroordeling kan oplopen ofwel een administratieve boete kan worden opgelegd. Is dit het geval, dan moet voor beide een individualisering van de straf mogelijk zijn. Is er alleen een administratieve boete mogelijk, dan moet dat parallellisme niet bestaan Het gaat hier om constante en reeds tamelijk oude rechtspraak van het Grondwettelijk Hof [26].
In casu gaat het om fraude en is zowel een correctionele straf als een administratieve boete mogelijk en dus zou in beide gevallen een individualisering van de straf mogelijk moeten zijn door een bestraffing eventueel onder het wettelijk minimum of door toekenning van een uitstel of door rekening te houden met verzachtende omstandigheden.
In casu is dat volgens de bestaande wet (art. 70 WBTW, art. 444 WIB/92) niet mogelijk.
We durven dan ook stellen dat de boete in kwestie strijdig is met het gelijkheidsbeginsel.
Deze rechtspraak zal evenwel niet van toepassing zijn wanneer bestraft wordt overeenkomstig de schalen vastgelegd in koninklijke besluiten, die van toepassing zijn indien geen fraude werd gepleegd, want dan is er geen samenloop tussen administratieve en correctionele bestraffing.
Volgens het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof d.d. 14 december 2016 zou ook in dit geval een controle door de rechter mogelijk moeten zijn indien de wet een inbreuk zou vormen op het recht op ongestoord genot van de eigendom, doordat de wet een onevenredige sanctie voorziet en niet de mogelijkheid biedt de straf te spreiden tussen een minimum- en maximumbedrag.
De wetgever bepaalt de perken en bedragen waarbinnen de beoordelingsbevoegdheid van de administratie en dus ook die van de rechter, moet worden uitgeoefend. Het systeem mag echter niet op onredelijke wijze afbreuk doen aan het beginsel dat niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, ontsnapt aan de toetsing door de rechter [27].
De keuze van de wetgever mag echter niet dermate onsamenhangend zijn dat ze leidt tot een onredelijk verschil in behandeling. Zo stelde het Grondwettelijk Hof in een arrest d.d. 19 oktober 2023 (arrest nr. 136/2023) :
“Het staat aan de wetgever te oordelen of het wenselijk is de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een overtreding inzonderheid een algemeen belang schaadt, vooral in een aangelegenheid die, zoals te dezen, aanleiding geeft tot een aanzienlijke fraude. Die gestrengheid kan met name betrekking hebben op de maatregelen tot uitstel.
Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen afkeuren indien die onredelijk zou zijn of indien de in het geding bepaling ertoe zou leiden aan een categorie van rechtsonderhorigen het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige instantie, zoals gewaarborgd bij artikel 6 § 1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, te ontzeggen.”[28]
Ook ingeval van toepassing van de verminderde boetes vinden we dus steun in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.
In art. 444 WIB/92 wordt een minimum en maximum van de belastingverhogingen bepaald van 10 % tot 200 %. Dat zou dus aansluiten bij de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.
Het gaat het bestek van onderhavige bijdrage te buiten, alle rechtspraak van het Grondwettelijk Hof te onderzoeken in hoeverre de rechter bij het beoordelen van administratieve sancties uitstel of opschorting van de straf kan verlenen, of rekening kan houden met verzachtende omstandigheden.
Meermaals heeft het Grondwettelijk Hof reeds geoordeeld dat de wettelijke bepalingen i.v.m. administratieve sancties strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel indien de wet niet toelaat een straf met uitstel op de leggen [29]. Opmerkelijk is evenwel dat het Grondwettelijk Hof dit standpunt afwijst w.b. het in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden (zie het hiervoor geciteerde arrest d.d. 14 december 2016 – arrest 159/2016). [30]
IX. SCHENDING VAN DE GRONDRECHTEN VAN DE BURGER ?
Daarbij aansluitend lijkt een vaststaande boete van 200 % om dezelfde redenen ook de toets aan het EU Handvest niet te doorstaan. En ook de schending van artikel 6 EVRM sluit hierbij aan.
Een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof en/of het EHJ ligt voor de hand.
Het beginsel van de rechtstaat wordt vermeld in artikel 2 VEU. Dit luidt als volgt:
“De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.”
Artikel 47 van het Europees Handvest en art. 6 EVRM houden in dat de burger recht heeft op een eerlijk proces binnen redelijke termijn. De vraag is of de rechtspraak van het Hof van Cassatie afbreuk doet aan het grondrecht van de burger op een doeltreffende voorziening in rechte.
Ook met artikel 49 van het EU Handvest moet rekening gehouden worden nu hierin bepaald is dat niemand onredelijk mag bestraft worden. Deze bepaling is duidelijk :
“de zwaarte van de straf mag niet onevenredig zijn aan het belastbare feit”.
Het probleem is evenwel dat overeenkomstig 51 van het Europees Handvest de bepalingen ervan alleen van toepassing zijn in situaties waarin de bepalingen van het EU-recht ten uitvoer worden gebracht [31]. Zolang het gaat om btw, lijkt ons dit geen probleem te zijn nu btw een Europese materie is. [32] Maar w.b. andere boetes is dat niet zo en zou er dus niet kunnen getoetst worden aan het EU-Handvest. .
Dat betekent dat we, om de bepalingen van het EU Handvest op dergelijke boete te kunnen toepassen, ervan uit moeten gaan dat de bepalingen van het Europees Handvest de verwoording zijn van wat niet anders kan beschouwd worden als de algemene beginselen van onze rechtstaat. Uit de preambule van het Handvest blijkt dit :
“Zich bewust van haar geestelijke en morele erfgoed vestigt de Unie haar grondslag op de ondeelbare en universele waarden van menselijke waardigheid en van vrijheid, gelijkheid en solidariteit; zij berust op het beginsel van de democratie en het beginsel van de rechtstaat.
(…)
Daartoe is het noodzakelijk de bescherming van de grondrechten in het licht van de ontwikkelingen in de maatschappij, de sociale vooruitgang en de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen te versterken door die rechten zichtbaarder te maken in een handvest.
Onder eerbiediging van de bevoegdheden en taken van de Gemeenschap en de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit handvest de rechten die meet name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities en internationale verplichtingen van de lidstaten.”
(…)
Derhalve erkent de Unie de hieronder vermelde rechten, vrijheden en beginselen”.
Het is niet correct dat deze waarden niet zouden kunnen ingeroepen worden in gans ons recht. Dat gaat in tegen de beginselen van onze rechtstaat. De oplossing zou kunnen zijn dat deze waarden, zoals we zonet aangaven, algemene rechtsbeginselen vormen die als dusdanig altijd kunnen ingeroepen worden. De rechten, gewaarborgd in het handvest, zijn algemene waarden die reeds bestaan en in het Handvest alleen maar erkend worden. Zo zouden ze in casu dan wel kunnen toegepast worden.
Ons Grondwettelijk Hof heeft inmiddels erkend dat het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn, een algemeen rechtsbeginsel is in alle omstandigheden. [33].
Zo heeft ook het EHJ erkend dat het recht op een eerlijk proces als algemeen beginsel van het Gemeenschapsrecht kan ingeroepen worden, bijvoorbeeld in het kader van een beroep tegen een beschikking van de commissie [34].
In een arrest d.d. 26 april 2017 ( C-564/15 – Farkas) oordeelde het EHJ :
“59. Er zij aan herinnerd dat bij ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van een bij deze wettelijke regeling ingesteld stelsel, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die hun passend voorkomen. Zij moeten hun bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin met name arresten van 7 december 2000, de Andrade, C-213/99, EU:C:2000:678, punt 20, en 6februari 2014, Fatorie, C-424/12, EU:C:2014:50, punt 50).
(…)
60. Dergelijke sancties mogen derhalve niet verder gaan dan noodzakelijk is ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude. Bij de beoordeling of een sanctie in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, moet met name rekening worden gehouden met de aard en de ernst van de inbreuk waarvoor die sanctie wordt opgelegd en met de wijze waarop de hoogte ervan wordt bepaald (zie in die zin arresten van 8 mei 2008, Ecotrade, C-95/07 en C-96/07, EU:C:2008:267, punten 65-67, en 20 juni 2013, Rodopi-M 91, C-259/12, EU:C:2013:414, punt 38).”
Zoals advocaat-generaal Van der Fraenen in zijn advies bij het arrest d.d 25april 2025 stelde, zijn de bepalingen in verband met de boetes de uitvoering van beginselen van de Europese Unie en zijn dus de beginselen, van het unierecht van toepassing Zoals we allen weten primeren deze beginselen op het nationale recht. Ze hebben bovendien rechtstreekse werking [35] En dat houdt in dat de rechter hieraan voorrang moet verlenen boven de nationale wetten. En dat houdt dan verder in dat de rechter bij het beoordelen van boetes ook de wettelijkheid ervan moet kunnen controleren zonder dat er een genadeverzoek bij de Koning is ingediend.
En wanneer de beginselen uit het unierecht, zoals we hiervoor betoogden, algemene beginselen zijn die gans ons recht beheersen, dan zullen deze beginselen ook van toepassing zijn inzake andere belastingen dan BTW.
Supra (punt XIII) legden we uit dat het Grondwettelijk Hof voorhoudt dat de rechter kan oordelen dat de wet in een onredelijke straf voorziet. Dat sluit aan bij art. 49 EU-Handvest waarin is bepaald dat een straf niet onredelijk mag zijn (zie hiervoor). Ook het EHJ verwijst naar het evenredigheidsbeginsel (zie hiervoor).
In punt VII supra hebben we er over gehad dat het Grondwettelijk Hof lijkt voor te houden dat de rechter niet méér mag dan de administratie.
Ogenschijnlijk lijkt er aldus een tegenspraak te zijn in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Enerzijds zou de rechter niet méér kunnen dan de administratie mag. Maar anderzijds zou de rechter altijd mogen oordelen dat een straf onredelijk is. En dat zou dus niet afhankelijk zijn van wat de bevoegdheid van de administratie is.
Een moeilijkheid bij de toepassing van het evenredigheidsbeginsel is evenwel dat er geen normen zijn om te bepalen wanneer iets onevenredig is. Dat zal in de praktijk aanleiding geven tot willekeur en tegengestelde rechtspraak. Niet iedereen heeft hetzelfde idee wanneer iets onevenredig is.
X. NOG EEN ANDERE ONGELIJKHEID : DE SITUATIE BEDOELD IN ART. 4 BIS V.T. Sv.
Overeenkomstig art. 4 bis V.T. Sv. moet de strafrechter ingeval van vervolging van belastingfraude ook oordelen over de belastingheffing m.b.t. de vervolgde fraude. Hij moet oordelen over de belastingen en bijbehoren en de administratieve en fiscale geldboeten.
Zal de rechter bij het beoordelen van deze laatste dan een andere bevoegdheid hebben dan bij het beoordelen van de strafrechtelijke vervolgde fraude ?Zal de rechter voor het ene zich moeten schikken naar het arrest van 25 april 2025 en voor het andere de regels uit het strafrecht moeten toepassen ? Dat zou een zeer vervelende situatie zijn.
De vraag is dan ook voor de hand liggend of hier geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel [36].
XI. ZIJN DE RECHTBANKEN EN HOVEN WEL BEVOEGD ?
We kunnen ons afvragen na het indienen van een genadeverzoek wel naar de rechter “kunnen” stappen.
Hubert Dubois twijfelt daaraan. De aanvechting van een beslissing over een genadeverzoek zou geen betwisting zijn in de zin van artikel 569, 32°Ger.Wb. (een betwisting over de toepassing van de fiscale wetten) en dus zou de gewone rechter niet bevoegd zijn.
We zouden dan wel naar de Raad van State kunnen stappen. Deze kan echter niet ten gronde beslissen de boete te verminderen. De Raad van State kan alleen de wettelijkheid van de beslissing beoordelen, onder meer of ze voldoende gemotiveerd is.
Nu lijkt het Hof van Cassatie in het hier besproken arrest van 25 april wel toe te laten dat men naar de gewone rechter stapt. Het Hof stelt het niet expliciet, maar geeft toch aan dat alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, door de rechter moet kunnen worden getoetst. Niets wat onder de beoordeling van de administratie valt, mag aan het toezicht van de rechter ontsnappen. Dus moet ook de rechter de boete kunnen kwijtschelden of verminderen wanneer de administratie dit kan.
We merken op dat het Grondwettelijk Hof ook, minstens impliciet, van mening is dat de gewone rechter bevoegd is (zie de besproken arresten) en de Raad van State dit zelf ook voorhoudt in een arrest d.d. 22 november 2023 nr.257.969 [37].
De kwestie lijkt dus beslecht te zijn in het voordeel van de gewone rechtbanken.
XII. HOE VER REIKT DE BEVOEGDHEID VAN DE RECHTER ?
Dan rijst de vraag naar de draagwijdte van de bevoegdheid van de rechter. We kunnen ons de vraag stellen of de rechter inderdaad na het indienen van een genadeverzoek de boete mag verminderen en dus oordelen in de plaats van de administratie. Of heeft hij/zij alleen een controleplicht op de beslissing van de administratie ?
Advocaat-generaal Van der Fraenen sluit zich in zijn advies bij het arrest van 25 april 2025 aan bij hetgeen Hubert Dubois erover schreef :
“Een tweede kritiek op de zienswijze van het Grondwettelijk Hof die naar voor komt in de rechtsleer is dat er geen helderheid is over de aard van de rechtsmacht van de rechter die zich moet buigen over een beslissing genomen bij toepassing van artikel 9 Regentbesluit.
Daarbij valt eerst en vooral op te merken dat de bevoegdheid van de minister of zijn gedelegeerde inzake een verzoek tot kwijtschelding van de belasting op grond van het Regentbesluit van 18 maart 1831 een discretionaire bevoegdheid is.
Het rechterlijk wettigheidstoezicht op dergelijke, in uitvoerig van een discretionaire bevoegdheid genomen beslissingen is, wat de zgn. interne wettigheid van de beslissing betreft, in de regel beperkt tot een nazicht of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur werden gerespecteerd. De rechter mag zich derhalve niet in de plaats stellen van het bestuur, wat een immers een inbreuk zou betekenen op de scheiding der machten.
Indien de beslissing onwettig blijkt, moet de rechter zich ertoe beperken de beslissing te vernietigen, zodat het bestuur een nieuwe beslissing kan nemen.
Wanneer de Raad van State over een dergelijke beslissing oordeelt, zal deze dit niet doen met substitutiebevoegdheid maar wel in de vorm van een vernietigingstoezicht [38].
Wanneer men er zou vanuit gaan dat de gewone rechtbanken bevoegd zijn om te oordelen over een beslissing genomen bij toepassing van artikel 9 Regentbesluit, dan kan verondersteld worden dat hun rechtsmacht soortgelijk is.”[39]
Het is een open vraag hoever de rechter moet (mag) gaan in zijn beoordeling van de beslissing van de administratie over een genadeverzoek. Zal hij/zij beslissen zoals de Raad van State deed (doet) ? Zal de rechter de boete zelf moduleren en dus zelf een boete geheel of gedeeltelijk kwijtschelden dan wel de beslissing van de administratie (desgevallend) vernietigen en de zaak terugsturen naar de administratie ? [40]
Het Grondwettelijk Hof lijkt aan te geven dat de rechter zelf beslist in de plaats van de administratie. We verwijzen naar het hiervoor geciteerde arrest d.d. 18 juli 2024 :
“B.4.2. Het staat aan de wetgever te oordelen of het aangewezen is de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer die overtredingen inzonderheid het algemeen belang schaden. Maar indien hij van oordeel is dat de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie te moduleren, dan mag niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter kunnen ontsnappen.
B.4.3. Hieruit volgt dat artikel 70, §§ 1 en 4, van het BTW-Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing om fiscale geldboetes op te leggen.
Aldus kan de rechter nagaan of de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd. In voorkomend geval zal hij de boete kunnen moduleren, te dezen opheffen of verminderen binnen de aan de administratie gestelde grenzen.”
Het arrest d.d. 19 juni 2025 (zie supra) is nog duidelijker.
Niet duidelijk is het reeds geciteerde arrest d.d. 5 mei 2022 :
“De rechter bij wie een beroep is ingesteld tegen een beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt opgelegd aan de overtreder, moet kunnen nagaan of de beslissing van de bestraffende beambte in rechte en in feite verantwoord is, in het bijzonder of het verantwoord is een dergelijke sanctie uit te spreken ten aanzien van alle relevante elementen van de zaak. Er bestaat een algemeen beginsel dat de rechter steeds moet kunnen nagaan of iemand enige schuld treft. De rechter dient dus binnen dezelfde grenzen als die van de bestraffende beambte de opgelegde administratieve geldboete al dan niet te bevestigen, zonder het bedrag ervan te kunnen moduleren.”
Het beste zou zijn dat de rechter een beslissing neemt die de beslissing van de administratie vervangt. Wat zijn we er anders in wezen mee gebaat om naar de rechtbank te stappen ?! Dit ligt ook meer in de lijn van de algemene taak van de rechter in het fiscaal contentieux binnen de context van het Gerechtelijk Wetboek.
XIII. EEN VERSCHIL TUSSEN INKOMSENBELASTINGEN EN BTW.
Een andere bemerking is dat de situatie inzake btw verschilt van deze in inkomstenbelastingen. Hubert Dubois legt in zijn reeds geciteerde bijdrage in TFR nr. 624 uit dat in een wet d.d. 29 maart 2018 de macht om te oordelen over genadeverzoeken w.b. inkomstenbelastingen met ingang van 1 januari 2019 werd overgedragen naar de Cel Administratieve Sancties van de bemiddelingsdienst. De Koning is nu dus niet meer bevoegd. Deze instelling zal alleen oordelen indien de sancties definitief geworden zijn, m.a.w. nadat alle beroepsmogelijkheden uitgeput zijn. [41]
Inzake inkomstenbelastingen zal men, nadat een genadeverzoek is ingediend, tegen de beslissing hierover, volgens het rapport aan de Koning bij het KB d.d. 21 december 2018 ter uitvoering van de wet van 29 maart 2018, beroep moeten instellen bij de Raad van State. Deze zal echter alleen oordelen over de wettelijkheid van de beslissing, maar zal o.i. niet zelf de hoogte van de belastingverhoging bepalen (zie ook supra).
We kunnen evenwel twijfelen of hetgeen in dat rapport staat, correct is. Op grond van de hiervoor besproken rechtspraak van de Raad van State is de gewone rechter bevoegd [42]
XIV. EEN PROCEDUREEL PROBLEEM;
Er ontstaat een procedureel probleem waar ook de auteurs in Fiscoloog [43] op wezen, namelijk dat we de boetevermindering pas kunnen bepleiten na eerst ten gronde het dossier voor de rechter hebben bepleit. Pas nadat de rechter uitspraak deed of de belasting in casu verschuldigd is of niet, en ook de wettelijkheid van de boete ook beoordeeld is, kan een genadeverzoek bij de Koning ingediend worden, en als daarover beslist is, kan men desgevallend de opportuniteit van de boete laten beoordelen door de rechter. Dat betekent dus, naargelang de situatie, tweemaal procederen !! Heel efficiënt is dit niet. Procederen duurt nu al veel te lang, nu gaan we desgevallend tweemaal moeten procederen!
En zo blijven we bezig ! Het wordt er niet simpeler op !
Henri Vandebergh
Advocaat
Vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de onderzoeksgroep CORe (Centrum voor overheid en recht) aan de UHasselt.
Heusden-Zolder, 26 augustus 2025.
[1] Onderhavige tekst is een bewerking van een tekst die gepubliceerd werd in de fiscale Koerier d.d. 10 juni 2025.
[2] - O.m. samenvatting gepubliceerd in R.W. 2024-25, nr. 42, d.d. 21 juni 2025, blz. 1717, met korte verklarende noot.
- Lees ter zake ook over de problematiek van het beoordelen van boetes na het arrest d.d. 25 april 2025 : F. Debelva, “De (on)verenigde kamers”, AFT 2025/6, blz. 2.
[3] Het arrest betreft ook een ander punt, nl. de afdracht van btw. Maar dit laten we buiten beschouwing. We beperken ons tot de betwisting over de boete.
[4] EHRM, 24 februari 1994, Bendenoum t/Frankrijk en EHRM, 21 februari 1984, Özturk/Duitsland
[5] EHRM, 4 maart 2004, Silvester's Horeca Service, TFR, 2004, nr.264, p.636, met noot B. Coopman, 'Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg'; zie ook Grondwettelijk Hof, 24 februari 1999, nr.22/1999; Grondwettelijk Hof, 12 juni 2002, nr. 96/2002.
[6] Zie o.a. Cass., 21 januari 2005, C.02.0572.N; Cass., 16 februari 2007, F.05.0015.N; Cass., 16 februari 2007, C.04.0390.N; Cass., 16 februari 2007, F.06.0032.N; Cass., 21 september 2018, F.17.0086.N.
[7] Cass. 24/ maart2023, F.21.0056.N, TFR 2023, nr. 647, blz. 803 met noot Hubert Dubois.
Het Hof van Cassatie herhaalt haar vroegere rechtspraak, zij het dat die rechtspraak in menig arrest enigszins genuanceerd wordt.
[8] Lees o.m. : - Jef Van Eyndhoven, “De toetsing van fiscaal-administratieve sancties door de rechter”, Liber Amicorum prof. Dr. Bruno Peeters, knops Publishing, 2025, blz. 1235 e.v., weliswaar geschreven vóór het arrest van 25 april 2025, maar nog steeds waardevol.- F. Debelva & J. Motte, "De proportionaliteit van fiscale sancties: theoretisch kader, grondslagen en verhouding tot mensenrechten", TFR 2015, nr. 499, blz. 968, noot bij Cass. 17 januari 2019..- B. Coopman : “Rechterlijke toetsing van fiscale boetes : cassatie teruggefloten door Straatsburg, TFR 2004, nr. 264, blz. 636, noot onder EHRM 04/03/2004, Silvester Horeca.- F. Smet, “Rechterlijke controle op administratieve sancties : is de motivering van de evenredigheidstoetsing de sleutel ?”, TFR 2009, nr. 370, noot bij Cass. 13 februari 2009..- H. Nelissen en K. Lioen “De matigingsbevoegdheid van de rechter bij belastingverhogingen”, noot onder Gent 15/03/2022, TFR 2023, nr. 644, blz. 649 e.v.- W.b. volle rechtsmacht : zie ook het advies van de advocaat-generaal bij Cass. 21/09/2018, F.0141.N.- Hubert Dubois, “Het fiscaal genaderecht en een onbelangrijk arrest van het Hof van Cassatie”, TFR 2022, nr. 624, blz. 577.- Hubert Dubois, ‘Over de rol van de poëzie bij het beoordelen van administratieve sancties”, TFR 2023, nr. 635, blz. 99. - Hubert Dubois, “Het fiscaal genaderecht en dit keer een weinig behulpzaam arrest van het Hof van Cassatie”, noot onder Cass. 16 mei 2022, TFR 2023, nr. 635, blz. 119.- Hubert Dubois, “Op weg naar meer helderheid inzake administratieve sancites”, noot onder Cass. 23 september 2022, TFR 2023, nr. 635, blz. 123.- Hubert Dubois, “De eenvoudige oplossing van het boeteprobleem inzake btw; wijziging van het KB nr. 41”, TFR 2023, nr. 647, blz. 771.- Hubert Dubois, “Cassatie tegen cassatie : Wie heeft wat te vertellen over fiscale boeten ?”, TFR 2023, nr. 647, blz. 797. - Hubert Dubois, “Wie beoordeelt de administratieve beslissing over een genadeverzoek ?”, noot bij RvS 22 november 2023, TFR 2024, nr. 669, blz. 967. - Eric Van Brustem, “Les divergences de jurisprudence en matière fiscale au sein de la Cour de cassation analysées au regard des exigences de la Cour européenne des droits de l’homme en matière de sécurité juridique et de droit d’accès à un tribunal : séparer le bon grain de l’ivraie »TFR 2024, nr. 659, blz. 350.- Eric Van Brustem, “Boete inzake btw met strafrechtelijk karakter – Toetsing door de rechter met volle rechtsmacht – voorwaarde – Verzoek tot kwijtschelding of vermindering op grond van het Regentsbesluit”, TFR 2023, nr. 647, blz. .802-803.
Onze opsomming is een beperkte selectie uit de overvloedige literatuur over de problematiek.
[9] Cass. 21/01/2005, C.02.0572.N; Cass. 16/02/2007, F.06.0032.N.
[10] Cass. 17 januari 2019, JT 2019, 812, met noot F. Koning, "Le pouvoir d'appréciation du juge fiscal sur la sanction administrative infligée au contribuable et le moment du recours auprès du ministre des Finances"; TFR 2020, afl. 583, 505-508, met noot F. Debelva en M. Kelher, "Rechterlijke matigingsbevoegdheid btw-boetes bij fraude afhankelijk van voorafgaandelijke procedure"; JLMB 2019, afl. 26, 1219-1221, met noot P. Moineau, "La Cour de cassation et la réduction des amendes fiscales par le juge"; Fisc.Act. 2019, afl. 8, 4-5, met noot T. Desterbeck, "Administratieve boeten inzake btw - Geen kwijtschelding door rechter, alleen door fiscus"; Fiscoloog 2011, afl. 1250, 4-7, met noot D. Nore, "Administratieve boeten - Beoordeling BTW-geldboeten : geen eenduidige criteria". H. Dubois, “Het fiscale genaderecht en een onbelangrijk arrest van het Hof van Cassatie”, TFR 2022, nr. 624, blz. 585.
[11] TFR 2023, nr. 635 met noot Hubert Dubois.
[12] TFR 2023, nr. 647, blz. 802 met noot Hubert Dubois.
[13] TFR 2023, nr. 635 met noot Hubert Dubois.
[14] TFR 2023, nr. 647, blz. 803. - Lees ook de bijdrage van Hubert Dubois in datzelfde nummer.
[15] Zie in dezelfde zin : conclusie advocaat-generaal. J. Van der Fraenen, bij Cass., 21 september 2018, F.17.0086.N.
[16] Lees over deze controverse ook : - Hubert Dubois, “Cassatie tegen cassatie : wie heeft wat te vertellen over fiscale boeten ?”, TFR 2023, nr. 677, blz. 797.
[17] Cfr. Cass., 13 april 2012, F.09.0056.F; F. Debelva en M. Kelher, 'Rechterlijke matigingsbevoegdheid btw-boetes bij fraude afhankelijk van voorafgaandelijke procedure', noot onder Cass., 17 januari 2019, TFR, 2020, nr.583, blz. 505 e.v., F. Koning,., JT, 2019, afl.6793, p.814.
[18] Lees ook Hubert Dubois in TFR 2022, nr. 624, blz. 577.
[19] Voor een overzicht zie de bijdrage van Jef Van Eyndhoven in het Liber Amicorum prof. Dr. Bruno Peeters, Knops Publishing, 2025, blz. 1235, “De toetsing van fiscaal-administratieve sancties voor de rechter.
[20] Lees ook de bijdrage van Jef Van Eyndhoven, hiervoor geciteerd in voetnoot 8.
[21] - Zie het advies van advocaat-generaal bij het arrest d.d. 25 april 2025, blz. 17-18 van het advies, “Genade komt na het recht”- Zie Hubert Dubois, in TFR 2022, nr. 624, blz. 577.
[22] Lees Jorren Wiame en Filip Smet in Fiscoloog 2025, nr. 1881, blz. 9, “Geen vermindering BTW boeten zonder inroepen genadeverzoek.”
[23] Reeds in een arrest van het (toen nog) Arbitragehof d.d. 12 juni 2002, nr. 96/2002, lezen we dat de administratie gebonden is door het evenredigheidsbeginsel.
[24] Lees ter zake ook het advies van advocaat-generaal Van der Fraenen bij het arrest d.d. 25 april 2025, punt 3.6.3.
[26] In dezelfde zin o.m.: arrest nr. 61/2022 d.d. 5 mei 2022; arrest nr. 8/2019 d.d. 23 januari 2019 met verdere verwijzing naar de arresten nrs. 40/97, 45/97,128/99, 86/2007, 42/2009, 44/2011,147/2015, 25/2016, arrest nr. 56/2020 dd. 23 april 2020, arrest nr. 36 /2021 d.d. 4 maart 2021.
Het gaat hier om rechtspraak die niet geveld is in fiscale betwistingen maar die terug te vinden is in verschillende andere domeinen van het recht waar er sprake is van sancties. Er lijkt echter geen reden te zijn waarom deze rechtspraak ook niet zou gelden in fiscale aangelegenheden.
Een volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof mogen we eerstdaags verwachten.
[27] - Zie ook het hiervoor geciteerde arrest van het Grondwettelijk Hof d.d. 7 oktober 2021.
- Zie ook het arrest d.d. 5 mei 2023, nr. 61/2022.
[28] - Zie ook arrest van het Grondwettelijk Hof d.d. 23 april 2020, nr. 56/2020. Het Hof stelt “dat de wetgever geen maatregel mag nemen die kennelijk onredelijk is”.
- Zie in dezelfde zin : arrest Grondwettelijk Hof d.d. 4 maart 2021, nr. 36/2021, B.38.1 en arrest d.d. 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.23.2.
[29] Zie verschillende auteurs genoteerd in voetnoot 8.
[30] Het pleidooi ter zake door Jef Van Eyndhoven in zijn bijdrage in het Liber Amicorum van prof. Dr. Bruno Peeters (zie voetnoot 8) is hiermee beslecht.
[31] Zie arrest EHJ, 26 februari 2013, C-617/10, Åklagaren.
[32] - Het EHJ heeft dit bevestigd in een arrest d.d. 26 februari 2023, C-617/10, Åklagaren/Åkerberg.
- Zie ook het arrest van het EHJ d.d. 19 december 2024, C-369/23. Het EHJ neemt een nogal breed standpunt ter zake in. Alhoewel bestraffing op zich geen Europese aangelegenheid is, meent het Hof dat het EU-Handvest toch van toepassing is nu het gaat om bestraffing van btw, wat wel een uitvoering is van het Gemeenschapsrecht.
[33] - J. Van Dijk en C.J.H. Van Hoof, “De Europese Conventie in theorie en praktijk”, Nijmegen, Ars Aequi et Libri, 1990, 364. - Zie o.m. Arbitragehof 15 september 2004, nr. 148/2004; - Grondwettelijk Hof 20 oktober 2009, nr. 158/2009. - Arrest d.d. 30 april 2015, nr. 48/2015; - Arrest d.d. 4 april 2019, nr. 49/2019
[34].- Arrest EHJ 16 juli 2009, C-385/07; - Arrest EHJ 1 juli 2008, C-341/06.P ;
[35] Zie het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 24 mei 2016, p.15.1604.N.
[36] Lees ook Frederieke Compernolle, “De volle rechtsmacht van de fiscale rechter gefnuikt”, R.W. 2024-2025, nr. 42, 21 juni 2025,blz. 1694.
[37] TFR 2024, nr. 669, blz. 967 met noot Hubert Dubois.- Lees ook het advies van advocaat-generaal Van der Fraenen bij het arrest d.d. 25 april 2025, punt 3.7.
[38] H. Dubois, in TFR 2023, nr. 635, blz. 120.- Lees ook zijn bijdragen in TFR 2022, nr. 624, blz. 577 en in TFR 2024, nr. 669, blz. 974.
[39] Lees ook de noot van Hubert Dubois onder het arrest van de Raad van State d.d. 22 november 2023, TFR 2024, nr. 669, blz. 974.
[40] Ook Frederieke Compernolle stelt zich vragen hierbij. Zie haar bijdrage, “De volle rechtsmacht van de fiscale rechter gefnuikt”, R.W. 2024-2025, nr. 42, 21 juni 2025, blz. 1694.
[41] Lees ook het advies van advocaat-generaal Van der Fraenen bij het arrest d.d. 25 april 2025.
[42] In dat rapport wordt verwezen naar een arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 7 januari 2014. Maar dat arrest is voorbijgestreefd door de rechtspraak van de Raad van State. Zie ook het advies van advocaat-generaal Van der Fraenen bij het arrest d.d. 25 april 2025.
[43] Lees Jorren Wiame en Filip smet in Fiscoloog 2025, nr. 1881, blz. 9, “Geen vermindering BTW boeten zonder inroepen genadeverzoek”.

Opmerkingen