10% roerende voorheffing op liquidatiebonus: ook op de niet-beschikbare wettelijke reserves!

Op 7 augustus 2018 diende de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt zich te buigen over de vraag of een dividenduitkering die werd opgenomen in het kapitaal van de vennootschap terecht aan een tarief van 10% roerende voorheffing was onderworpen.

Op de bijzondere algemene vergadering dd. 15.12.2013 van de vennootschap werd beslist op een tussentijds dividend van €812.539,89 uit te keren, wat aangerekend zou worden op de belaste reserves. Overeenkomstig art. 537 WIB92 werd deze uitkering bijgevolg opgenomen in de aangifte roerende voorheffing aan een tarief van 10 %.

Art. 537, eerste lid WIB92 stelt namelijk dat het tarief van de roerende voorheffing wordt vastgesteld op 10 % voor de dividenden die overeenkomen met de vermindering van de belaste reserves zoals deze ten laatste op 31 maart 2013 zijn goedgekeurd door de algemene vergadering, op voorwaarde en in de mate dat minstens het verkregen bedrag onmiddellijk wordt opgenomen in het kapitaal en dat deze opneming plaatsvindt tijdens het laatste belastbare tijdperk dat afsluit voor 1 oktober 2014.

De jaarrekening die ten laatste werd goedgekeurd op 31.03.2013 vermeldde als belaste reserves een bedrag van €813.687,81, waarvan €64.452,32 wettelijke reserves en €749.235,49 beschikbare reserves. Dit bedrag kon volgens de vennootschap dan ook in overeenstemming met art. 537 WIB92 worden uitgekeerd als dividend waarop roerende voorheffing aan het tarief van 10 % moest worden afgedragen.

De administratie was echter van mening dat enkel de beschikbare reserves, i.e. €749.235,49, in aanmerking kwamen voor de toepassing van art. 537 WIB92 waarvan de dividenduitkering onderworpen was aan een tarief van 10 %. Op het deel van de dividenduitkering dat de beschikbare reserves overstijgt, i.e. €63.304,40, en bijgevolg op de wettelijke reserves moet worden aangerekend, is volgens haar een tarief van 25 % roerende voorheffing van toepassing.

De Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt stelt de administratie echter in het ongelijk omdat art. 537, eerste lid WIB92 spreekt van 'belaste reserves' en niet van 'beschikbare reserves'. De administratie voegt volgens de rechtbank een voorwaarde toe aan art. 537 WIB92 door te stellen dat de regeling enkel zou gelden voor de beschikbare reserves, waardoor zij het grondwettelijke legaliteitsbeginsel, zoals vervat in art. 170 Gw. schendt.

Daarenboven is de rechtbank van mening dat de aanrekening van het dividend zelf mogelijk is op de belastbare reserves die pas later tot stand zijn gekomen. Zo is bijvoorbeeld de aanrekening mogelijk op de winst van boekjaar 2012 waarover de algemene vergadering in april 2013 beslist heeft om ze over te dragen naar een volgend boekjaar.

De rechtbank is van mening dat de vennootschap ook op die wijze correct gehandeld heeft en de wettelijke reserves niet heeft uitgekeerd, aangezien de beschikbare reserves op het ogenblik van uitkering €1.009.544,69 bedroegen, hierdoor kan de vennootschap volgens de rechtbank aanspraak maken op toepassing van de regeling voorzien in art. 537 WIB92.

Henri Vandebergh

27 september 2018.