Een spontane wijziging van aangifte? Richt u tot het Contactpunt Regularisaties. De tariefverhoging in het kader van deze regularisatie wordt door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel niet beschouwd als een strafsanctie.

 

  1. De belastingplichtige heeft voor het inkomstenjaar 2015 tijdig een aangifte ingediend in de personenbelasting. Nadien heeft hij vastgesteld dat hij een aantal dividenden is vergeten op te nemen in zijn aangifte. Het ging over dividenden uit twee buitenlandse vennootschappen, die moesten aangegeven worden in België.

    In 2016 heeft de belastingplichtige bij de plaatselijke taxatiedienst een aanvullende aangifte ingediend met het verzoek om de reeds ingediende aangifte te wijzigen en de dividenden op te nemen in zijn aangifte. Op het moment dat de belastingplichtige een aanvullende aangifte richtte aan de Administratie, was er nog geen aanslag gevestigd voor het betreffende jaar.

    Ook de kinderen van de belastingplichtige hebben gelijktijdig een wijziging van hun aangifte doorgegeven aan de lokale taxatiediensten met betrekking tot dezelfde dividenden.

    In maart 2017 laat de plaatselijke taxatiedienst aan de belastingplichtige weten dat hij een regularisatieaangifte moet indienen bij het Contactpunt Regularisaties met betrekking tot de niet aangegeven inkomsten en dat zij niet bevoegd zijn. De belastingplichtige deelt de administratie mede dat het om een vergissing moet gaan, aangezien hij geen regularisatieaangifte wilde indienen, maar dat het ging om een aanvraag tot wijziging van zijn ingediende aangifte m.b.t. het inkomstenjaar 2015.

    De taxatiedienst handhaaft haar standpunt en deelt de belastingplichtige mede dat hij zich moet richten tot het Contactpunt Regularisaties. De belastingplichtige richt zich vervolgens tot het Contactpunt Regularisaties en heeft de bijkomende dividenden aangegeven.

    Op deze dividenden werd een belastingtarief van 25% toegepast, als ook een tariefverhoging van 22%.

    Aangezien het volgens de belastingplichtige om een spontane wijziging van de aangifte ging, en niet om een regularisatieaangifte, kon de belastingplichtige niet akkoord gaan met de tariefverhoging van 22% en heeft hij zich gericht tot de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

     

  2. De Rechtbank van eerste aanleg te Brussel verklaart de vordering van de belastingplichtige ontvankelijk, doch ongegrond.

    Voor de Rechtbank werd eerst en vooral discussie gevoerd over de ontvankelijkheid van de vordering van de belastingplichtige, aangezien de regularisatieheffing door de belastingplichtige werd betaald (weliswaar nadat een verzoekschrift werd ingediend bij de Rechtbank).

    Volgens de Rechtbank kan de betaling van de regularisatieheffing zonder voorbehoud niet worden beschouwd als een afstand van het recht om beroep in te dienen bij de rechtbank van eerste aanleg.
    De Rechtbank verwijst naar een arrest van het Grondwettelijk Hof van 19 september 2014, waarin het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat artikel 6, 3° van de Wet van 11 juli 2013, enkel de Grondwet niet schendt, in de interpretatie dat deze bepaling niet verhindert dat een persoon, die een regularisatieheffing heeft betaald, daartegen een juridisch beroep kan indienen bij de Rechtbank van eerste aanleg.

    Hetzelfde geldt volgens de Rechtbank voor artikel 7, lid 6 van de Wet van 21 juli 2016 tot invoering van een permanent systeem inzake fiscale en sociale regularisatie, dat bepaalt dat de betaling van de heffing die definitief en zonder voorbehoud wordt verricht, definitief door de Schatkist verworven is. Deze bepaling is gelijkaardig aan artikel 6, 3° van de Wet van 11 juli 2013, waarin tevens wordt bepaald dat de regularisatieheffing na haar betaling definitief door de schatkist is verworven.

    Volgens de Rechtbank heeft de belastingplichtige aldus de mogelijkheid om een jurisdictioneel beroep in te stellen tegen de regularisatieheffing.

    De Rechtbank verwijst tevens naar de voorbereidende werken bij de Wet van 21 juli 2016, waarin gesteld wordt dat de aangever het jurisdictioneel beroep dient uit te oefenen alvorens te betalen en alvorens er een regularisatieattest wordt afgeleverd. Een beroep indienen, nadat de regularisatieheffing reeds betaald werd, zou niet meer mogelijk zijn volgens de Minister van Financiën. De Rechtbank stelt vast dat in casu aan deze voorwaarde voldaan is, zodat de vordering van de belastingplichtige bijgevolg op regelmatige wijze is ingesteld.

     

  3. Voor de Rechtbank wordt vervolgens aangevoerd dat in strijd met artikel 346 e.v. WIB 92 door de lokale taxatiedienst geen wijziging van de aangifte werd toegestaan, terwijl dit voor de kinderen van de belastingplichtige wel werd toegestaan. Het Contactpunt Regularisaties is volgens de belastingplichtige niet bevoegd voor dergelijke spontane aangiftes.

    De Rechtbank is echter van oordeel dat “uit de bepalingen van de Wet van 21 juli 2016 niet kan afgeleid worden dat het Contactpunt Regularisaties niet bevoegd zou zijn voor de betreffende regularisatieaangifte, aangezien de enige wettelijke vereiste in dit opzicht is dat de inkomsten “normaal”  - indien de inkomsten tijdig en regelmatig zouden zijn aangegeven – aan de inkomstenbelasting zijn onderworpen in het jaar waarin zij werden behaald of verkregen”. Aan deze laatste voorwaarde is voldaan. Volgens de Rechtbank was het Contactpunt Regularisaties aldus bevoegd om kennis te nemen van de regularisatieaangifte van de belastingplichtige.

    Het enkele feit dat de belastingplichtige op onvolledige wijze zou zijn voorgelicht door de administratie en hierdoor een procedure heeft gevolgd die hij in voorkomend geval niet zou hebben gevolgd, indien hij volledig en correct zou zijn geïnformeerd door de plaatselijke taxatiedienst, is niet van invloed op de regelmatigheid van de vrijwillig gevolgde regularisatieprocedure en leidt niet tot de nietigheid van de vrijwillig ingediende regularisatieaangifte.

    De Rechtbank stelt wel dat indien de belastingplichtige van oordeel is schade te hebben geleden door de vermeend onjuiste informatie van de plaatselijke taxatiedienst, zij de Belgische Staat maar moet aanspreken in aansprakelijkheid wegens een begane fout.

     

  4. Voor de Rechtbank werd tot slot aangevoerd dat de boete ten onrechte werd opgelegd omdat het in casu maar om een spontane wijziging van de aangifte ging, minstens dat de boete onevenredig was en verminderd moest worden.

    Volgens de Rechtbank beschikt het Contactpunt Regularisaties over geen enkele beoordelingsvrijheid wat betreft de toegepaste verhoging. Artikel 3, §1, lid 1 van de Wet van 21 juli 2016 bepaalt dat er een verhoging van 20 percentpunten toegepast moet worden, bovenop het normale belastingtarief.

    De Rechtbank stelt vast dat de belastingplichtige de beslissing van de Administratie dat de laattijdig aangegeven inkomsten enkel konden worden geregulariseerd, niet heeft aangevochten in rechte. Hij heeft er volgens de Rechtbank bewust voor geopteerd de regularisatieaangifte in te dienen en de voorgestelde regularisatieheffing te betalen. Hierdoor werd terecht een tariefverhoging van 22% toegepast.

    Deze tariefverhoging van 22% kan volgens de Rechtbank niet aanzien worden als een straf in de zin van art. 6 EVRM. Deze tariefverhoging maakt onlosmakelijk deel uit van de regularisatieheffing, die werd aanvaard en betaald, en wordt niet eenzijdig opgelegd door de Overheid. De regularisatieprocedure is volgens de Rechtbank een facultatieve uitzonderingsprocedure en de vrije keuze van de belastingplichtige. Om deze reden is de Eerste Rechter van oordeel dat de tariefverhoging geen repressief karakter heeft en derhalve niet kan kwijtgescholden worden en niet verminderd kan worden.

    De vordering van de belastingplichtige werd ongegrond verklaard.

    De vraag is dan wanneer een spontane wijziging van de aangifte nog mogelijk is. Moeten we ons altijd richten tot het Contactpunt Regularisaties?


    Annemiek Lewandowski
    27 mei 2019


    Rb. Brussel 14 mei 2019 (A.R. 2018/206/A)