NOOT BIJ VONNIS RECHTBANK LEUVEN 01/12/2017 (FJF 2018/77). 

De indiciaire taxatie herbezocht.

Het bovenvermelde vonnis van de rechtbank te Leuven trok onze aandacht. Niet omdat het zo spectaculair is, maar omdat het enkele zaken die misschien in de vergetelheid terecht zijn gekomen, terug onder de aandacht brengt.

Het vonnis gaat over een aanslag bij tekenen en indiciën.

Artikel 341 WIB/92 stelt ter zake : "behoudens tegenbewijs mag de raming van de belastbare grondslag zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten.

Een taxatie volgens tekenen en indiciën houdt in dat de Administratie in principe een vermogensafrekening opstelt door de uitgaven van een belastingplichtige te vergelijken met diens aangegeven belastbare inkomsten en andere vermogensbestanddelen per jaar. Wanneer dan blijkt dat er meer uitgaven zijn dan inkomsten, dan mag het verschil belast worden. Artikel 341 WIB/92 houdt een vermoeden in dat het "teveel" aan uitgaven bekostigd is met belastbare inkomsten van het jaar in kwestie, die niet zijn aangegeven.

Het gaat hier om een wettelijk vermoeden waarbij de Administratie vertrekkende van bekende en vaststaande feiten tot een bepaalde uitkomst komt met betrekking tot de inkomsten van de belastingplichtige in kwestie.

De Administratie draagt de bewijslast. Zij moet de afrekening opmaken, steunende op bewezen feiten. Zij moet uit die bewezen feiten de logische gevolgtrekking maken dat er een verschil aan inkomsten is. Die gevolgtrekking moet logisch en verantwoord zijn (zie infra). Het verschil tussen inkomsten en uitgaven wordt vermoed voor te komen uit belastbare inkomsten.

Deze techniek van belastingcontrole en belastingheffing bestaat sedert 1938. Er is hierover veel geschreven in het verleden. In de rechtspraak is de taxatie volgens tekenen en indiciën de laatste jaren in de vergetelheid geraakt. Er lijken weinig discussies hierover nog te bestaan. In die zin is het vonnis van de rechtbank van Leuven interessant omdat een aantal oude principes terug naar boven komen.

In het geval waar de rechter in Leuven moest over oordelen, heeft de taxatieambtenaar blijkbaar slechts één indicie weerhouden, namelijk de aankoop van een woning die de belastingplichtigen deden voor hun dochter. Zij kochten een woning en betaalden hiervoor 260.000 €. De Administratie stelt dat deze uitgave niet verantwoord kon worden door de inkomsten van het jaar in kwestie en weerhoudt aldus een belastbaar inkomen.

De rechter schuift een aantal duidelijke principes over indiciaire taxaties naar voor.

"Het door artikel 341 WIB 1992 ingestelde vermoeden is weerlegbaar.

Ter weerlegging van dit vermoeden dient de belastingplichtige aan te tonen dat de graad van gegoedheid voortkomt uit andere inkomsten dan die welke in de inkomstenbelasting kunnen worden belast of uit inkomsten die tijdens een vroegere periode dan de belastbare periode zijn verkregen [1].

Uiteraard mag de belastingplichtige zich niet beperken tot loutere beweringen. Alleen positieve en controleerbare gegevens kunnen in aanmerking worden genomen als tegenbewijs [2]. Het volstaat daarbij niet dat de belastingplichtige aantoont dat hij bij het begin van het belastbare tijdperk voldoende financiële middelen ter beschikking had teneinde te bewijzen dat de hogere graad van gegoedheid voortkomt uit inkomsten die tijdens een vroegere periode dan de belastbare periode zijn verkregen. De belastingplichtige dient eveneens aan te tonen dat hij deze financiële middelen tijdens het belastbaar tijdperk heeft aangewend. De belastingplichtige kan niet verplicht worden om de historiek van de rechtvaardigende elementen voor te leggen en dient evenmin te bewijzen dat de door hem aangetoonde inkomsten ook daadwerkelijk zijn aangewend om de bedoelde uitgaven te financieren [3]. De rechter oordeelt in feite over de bewijskracht van de in dat verband voortgebrachte gegevens [4]".

Deze principes zijn duidelijk.

Dan gaat de rechter voort op wat voor sommige lezers misschien verrassend is.

"Het is aan de administratie om een representatief tijdperk voor het maken van de indiciaire afrekening te bepalen en aan de rechter om te oordelen over de redelijke termijn.

Aldus dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds courante en anderzijds bijzondere of eenmalige uitgaven die in aanmerking worden genomen als indiciën van hogere gegoedheid. Bij het vergelijken van courante uitgaven met courante inkomsten of verantwoordingselementen die periodiek terugkeren, kan men de afrekening beperken tot die bepaalde periode, die beperkt kan zijn tot één aanslagjaar. Wanneer er echter, zoals hier het geval is, een bepaalde aanwending blijkt te zijn die voor de belastingplichtige een uitzonderlijke of eenmalige investering betreft, dan lijkt het niet meer dan logisch dat deze uitgave vergeleken dient te worden met inkomsten en verantwoordingselementen over een langere periode, waarin de belastingplichtige deze middelen verzameld heeft.

Geconfronteerd met een bepaalde uitgave dient de taxatieambtenaar dan ook geval per geval te onderzoeken of het bedrag ervan een belastbaar inkomen kan zijn van het belastbare tijdperk waarin de uitgave is geschied [5].

Als het bestaan van een omvangrijk kapitaal aan het licht komt, laat de bewijsvoering op grond van tekenen en indiciën de fiscale administratie dan ook niet toe om zonder meer aan te nemen dat het betrokken kapitaal het resultaat is van beroepsinkomsten die tijdens dezelfde periode zijn genoten [6].

De rechtbank is van oordeel dat het door de fiscale administratie bijkomend weerhouden bedrag van 260.000,00 euro redelijkerwijze niet aanzien kan worden als een teken of indicie van een (uitzonderlijk) hoge graad van gegoedheid ten opzichte van de aangegeven inkomsten van het enkele jaar in kwestie. Een eenmalige belegging van een uitzonderlijk kapitaal, vastgesteld in een bepaald jaar, kan op zich niet beschouwd worden als een teken of indicie van niet aangegeven belastbare inkomsten bekomen gedurende hetzelfde jaar [7].

Rekening houdend met de voorhanden zijnde gegevens en de door eisers voorgelegde stukken kan niet in redelijkheid geoordeeld worden dat eisers de aankoop van de woning hebben gefinancierd met middelen die uitsluitend voortkwamen van inkomsten uit het inkomstenjaar 2009 (aanslagjaar 2010).

Gelet op het bij de eerste supplementaire aanslag reeds weerhouden bedrag van 97.112,35 euro aan onbenoemde inkomsten, zou dit er immers op neerkomen dat eisers in één en hetzelfde belastbare tijdperk een bedrag van 357.112,35 euro aan belastbare inkomsten zouden hebben genoten. Dit is rekening houdend met de concrete situatie bijzonder onwaarschijnlijk nu er voor de twee voorgaande jaren (2007 en 2008) slechts respectieve inkomsten van 191.427,89 euro en 89.757,80 euro werden vastgesteld en er geen belangrijke wijzigingen in de activiteiten van eisers zijn aangetoond.

Door het bedrag van 260.000,00 voor de aankoop van de woning op een ongenuanceerde manier gelijk te stellen met het inkomen van het jaar waarin de aankoop gebeurde, is de indiciaire taxatie aangetast door willekeur, hetgeen de nietigheid van de aanslag tot gevolg heeft".

De rechtbank brengt hier een bijzonder aspect van de indiciaire taxatie onder de aandacht, namelijk : een indiciaire taxatie is niet zomaar een optelsom van inkomsten en uitgaven. Nochtans wordt het op die manier in de praktijk toegepast. Men telt op wat men uitgaf in een bepaald jaar en men telt op wat er als inkomen werd aangegeven in een bepaald jaar en men maakt het verschil tussen beiden.

De rechtbank verwijst hier naar een oud principe. De rechter stelt dat indiciën op zichzelf met redelijkheid moeten bepaald worden en dat het niet opgaat om een bepaalde indicie van een groot bedrag, zoals een éénmalige uitgave, bijv. een aankoop van een woning, te beschouwen als een indicie van het jaar in kwestie die gefinancierd is met inkomsten van dat jaar. M.a.w. bij het bepalen van de indiciën moet een zekere redelijkheid in acht genomen worden.

De rechtbank geeft hier een bepaalde invulling aan de draagwijdte van het wettelijk vermoeden : indiciën moeten met redelijkheid bepaald worden. Wie een belangrijke uitgave doet, wie een belangrijk vermogen in bezit heeft, daarvan kan men niet zonder meer vermoeden dat hij dat betaald heeft met inkomsten van dat jaar.

Dat is een belangrijk principe. Wanneer vastgesteld wordt dat iemand in bezit is van bijv. een diamant, een zeer waardevol schilderij of noem maar op, vergelijken we die aanschaffing met de inkomsten van het jaar in kwestie, maar dan kunnen we niet zonder meer ervan uitgaan dat dit voorwerp met inkomsten van dat jaar betaald zijn. Men kan niet zonder meer stellen dat iemand in dat jaar plots zoveel meer geld zal verdiend hebben.

Iemand die zeer vermogend is en een Rolls Royce koopt, daarvan kijkt niemand op en men zal hem niet de vraag stellen met welk geld hij die wagen betaald heeft. Men gaat er gewoon van uit dat de persoon in kwestie vermogend genoeg is om die te betalen (hij kan zich dat veroorloven). Een jong koppeltje dat een huis bouwt of koopt, ook daarvan stelt niemand zich de vraag hoe zij zich die aanschaf hebben kunnen permitteren. Zeer vele jongeren kopen of bouwen een woning en iedereen weet dat dit gebeurt met een lening van de bank, met gekregen geld van ouders of grootouders of met gespaard geld. Dikwijls zien we ook dat de afwerking van de woning zelf wel eens wat te kort schiet. Niemand stelt zich vragen hoe zij de woning hebben kunnen betalen (ze hebben zich dat kunnen permitteren).

Er zijn in deze twee voorbeelden geen tekenen van hogere gegoedheid dan blijkt uit de aangegeven inkomsten. Misschien dat men mathematisch kan stellen dat ze meer uitgaven in een bepaald jaar dan dat ze in dat jaar aan inkomen verdiend hebben, maar algemeen beschouwd is er geen teken van hogere gegoedheid.

Hogere gegoedheid wordt niet afgezet t.o.v. aangegeven inkomsten, maar t.o.v. iemands positie, t.o.v. iemands vermogen en zijn algehele toestand. Het zou maar al te gek zijn om de "vermogende" te belasten op de aanschaffing van zijn Rolls Royce indien hij niet meer specifiek kan aantonen (wat niet onrealistisch is) hoe en met welk geld die aanschaf heeft betaald. Best mogelijk dat hij het niet meer weet of dat hij het niet kan weten omdat de betaling gebeurd is door zoon of zaakgelastigde. Maar in alle redelijkheid gaan we hem niet belasten in het jaar van aanschaf van de Rolls Royce op het bedrag van deze aanschaf verminderd met de in dat jaar aangegeven inkomen. Mogelijk dat de persoon in kwestie zelfs geen enkel inkomen heeft aangegeven, omdat dat hij er geen genoten heeft. Hetzelfde geldt voor het jonge koppel waar we het hierboven over hadden.

Hogere gegoedheid houdt niet in dat we een mathematische berekening maken in hoeverre iemands uitgaven overeenstemmen met aangegeven inkomsten. Het begrip hogere gegoedheid is een begrip van andere aard.

Wanneer we echter te doen hebben met iemand die kwistig het geld rondstrooit, feestjes geeft, hoge uitgaven doet, altijd op restaurant zit enz., die persoon heeft misschien wel een levenstrend die niet overeenstemt met zijn inkomen. Dat is ook iets wat we in het dagelijks leven ondervinden : iemand die zich gedraagt als hebbende een hogere levensstandaard dan hij zich kan permitteren. De mensen vragen zich dan af "hoe kan hij zich dat allemaal permitteren". Dan hebben we misschien te maken met iemand wiens levenstrend een teken is van hogere gegoedheid dan blijkt uit zijn aangegeven inkomen.

Het is verkeerd in een aantal situaties om gewoon een mathematische berekening te maken van inkomsten en uitgaven zonder oog te hebben voor het geheel en de totale vermogenstoestand van iemand.

Tekenen en indiciën waarvan sprake is in art. 341 WIB/92 moeten gesteund zijn op feiten. De tekenen en indiciën kunnen bij wijze van vermoeden bepaald worden, waarbij het dan gaat om een feitelijk vermoeden binnen het wettelijk vermoeden van art. 341 WIB/92. Dan moet ook dat feitelijk vermoeden nog altijd gesteund zijn op bewezen feiten. Wanneer dan duidelijk is hoe groot iemands vermogen is, dan is er geen feitelijk vermoeden van hogere gegoedheid.

Voor wie meer hierover wil lezen, kan o.m. het volgende raadplegen :

  1. Het rechtspraakoverzicht "belastingheffing volgens tekenen en indiciën" gepubliceerd in het AFT 2012, geciteerd supra in voetnoot 6.

  2. Verschillende rechtspraakoverzichten uitgegeven door de VZW Fiscofoon m.b.t. de periode 1980-2014.

  3. Luc Maes, "De aanslag volgens tekenen en indiciën" in Actuele problemen van fiscaal recht, postuniversitaire lessencyclus Willy Delva 1988 -1989, blz. 61.
    Deze auteur verwijst naar verschillende cassatiearresten waarin de bovenstaande problematiek aan de orde komt.

  4. Luc Maes, "De aanslag op grond van tekenen en indiciën, evolutie van de indiciaire belastingheffing in 50 jaar", TFR, Fiscofoon nr. 81 - 82, 1988, blz. 223.
    Hierin geeft de auteur een overzicht van de evolutie van taxatie volgens tekenen en indiciën vertrekkende vanuit de oorsprong, de wet uit 1938, komende ook tot de problematiek die we hier supra hebben toegelicht, nl. in welke mate investeringen of eenmalige uitgave een indicie kunnen zijn.

Voor een toepassing, zie bijvoorbeeld :

  • Gent 4 mei 2010, Fisc. Act., 2010, nr. 23, biz. 17.

  • Brussel 18 april 2008, Taxwin, Fiscoloog 2008, nr. 1134, biz. 6 : bespreking door JVD, "Kunnen beleggingen indiciair zijn ?", met verdere verwijzingen.
     

P.S. Niet alle rechtspraak zit natuurlijk op dezelfde lijn. Zie bijvoorbeeld :

-      Gent 4 november 2014, Fiscoloog 2015, nr. 1418, blz. 11

-      Antwerpen 9 januari 2007, Taxwin.

 

Henri Vandebergh

10 juli 2018

 

[1] Zie ook Cass. 11 februari 2002; Cass. 12 maart 2004, F. J.F. nr. 2004/197.

[2] Zie ook Cass.,12 maart 2004, F.J.F. nr. 2004/197.

[3] Zie ook Cass. 5 september 1986, F.J.F. nr. 1987/81; Cass. 8 december 2000, Fiscoloog2001, afl.758 en Antwerpen 6 februari 2001, FJF 2001, 386.

[4] Zie ook Cass. 12 maart 2004, F.J.F. 2004,197.

[5] Antwerpen 6 februari 2001, FJF, No. 2001/138.

[6] VANDEN BERGHE, B., Belastingheffing volgens tekenen en indiciën - II. Rechtspraakoverzicht, AFT 2012, afl. 4, 20-44 en http://www.monkey.be/ (23 april 2012).

[7] Gent 4 mei 2010, www.monKEY.be, Bronnen, nr. G 10/0360; Brussel 18 april 2008, Fisc.Act. 2008, afl. 21,17; Gent 21 maart 2000, TFR 2000, afl. 184, 631, noot W. HUBER; Rb. Bergen 28 februari 2005, FJF, No. 2005/299.