CONTROLE VAN BUITENLANDSE
ROERENDE 
INKOMSTEN DOOR
DE FISCUS

 

Verschillende belastingplichtigen ontvangen een bericht van wijziging in verband met buitenlandse roerende inkomsten (interesten/dividenden), die in het verleden niet werden aangegeven. Vaak geeft de Administratie in deze berichten van wijziging te kennen voornemens te zijn een belastingverhoging van 50% te zullen opleggen.

 

De Administratie heeft de mogelijkheid om buitenlandse interesten en dividenden te belasten op basis van informatie die zij van een buitenlandse belastingadministratie ontvangt (artikelen 358, §1, 2° en §3 WIB 92). Zij beschikt hiervoor over een termijn van 24 maanden na het ontvangen van de inlichtingen uit het buitenland.

 

In deze periode van 24 maanden kan de Administratie de inkomsten belasten die niet werden aangegeven in de vijf jaren voor het jaar waarin de buitenlandse inlichtingen ter kennis van de fiscus werden gebracht. Indien er sprake zou zijn van fraude in hoofde van de belastingplichtige, kan de Administratie zelfs de inkomsten belasten die niet werden aangegeven in de zeven jaren voor het jaar waarin de buitenlandse inlichtingen ter kennis van de fiscus werden gebracht.

 

De Administratie moet aldus aantonen wanneer zij de gegevens uit het buitenland ontvangen heeft, en dat deze termijnen gerespecteerd werden.

 

De vraag die hierbij gesteld kan worden, is echter of er zonder meer sprake is van fraude en of de fiscus zomaar de buitenlandse inkomsten mag belasten van de afgelopen zeven jaren, indien blijkt dat deze buitenlandse inkomsten in eerdere jaren niet werden aangegeven. Bijkomend impliceert fraude in hoofde van de belastingplichtige dat er een belastingverhoging van 50% mag opgelegd worden.

 

De Administratie kan enkel fraude in hoofde van de belastingplichtige vooropstellen, indien zou blijken dat hij gehandeld heeft met het bedrieglijk opzet om de belastingen op deze buitenlandse roerende inkomsten te ontduiken. De Administratie heeft de bewijslast hieromtrent en zal moeten aantonen dat er omstandigheden zijn die aantonen dat er sprake is van het opzet om belastingen te ontduiken in hoofde van de belastingplichtige.

 

In veel gevallen hebben de betreffende belastingplichtigen in hun aangifte in de personenbelasting evenwel aangeduid dat zij over een buitenlandse bankrekening beschikken, waarop deze inkomsten zijn toegekomen. Zij hebben het bestaan van de betreffende bankrekening kenbaar gemaakt aan de fiscus. Daarenboven is het niet-aangeven van bepaalde inkomsten, zelfs indien deze inkomsten omvangrijk zijn, niet per se een aanwijzing van fraude. Er kan immers ook sprake zijn van een gewone nalatigheid of een te goeder trouw begane vergissing.

 

Het is dus geen evidentie dat de fiscus uitgaat van fraude in hoofde van de belastingplichtige, en in dergelijke dossiers een verjaringstermijn van zeven jaar toepast, als ook een belastingverhoging van 50% oplegt.

 

 

 

Annemiek Lewandowski

3 juni 2020