HET HOF VAN CASSATIE BEVESTIGT DE AFTREK ALS KOST VAN FACTUREN VAN VENNOOTSCHAPPEN DIE ZELF GEEN PRESTATIES LEVEREN, MAAR DEZE PRESTATIES LATEN VERRICHTEN DOOR DERDEN.

HOF VAN BEROEP ANTWERPEN 30/08/2017
CASSATIE 22/03/2019 – F18.0048N

Het Hof van Cassatie heeft op 22/03 ll. een kort arrest geveld dat evenwel de moeite is om aandacht aan te besteden.  

 

Het Hof van Cassatie oordeelde als volgt :

 

"1. Overeenkomstig artikel 49 WIB92 zijn aftrekbaar als beroepskosten de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

 

Opdat een kost aftrekbaar is als beroepskost, is vereist dat hij werd gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. De belastingplichtige dient te bewijzen dat de kost beantwoordt aan werkelijk geleverde prestaties.

 

Wanneer de rechter vaststelt dat een uitgave beantwoordt aan werkelijk geleverde prestaties, kan de aftrekbaarheid van deze uitgave als beroepskost niet worden geweigerd op de enkele grond dat de prestaties niet werden verricht door of namens degene aan wie werd betaald.

 

2. De appelrechters die vaststellen dat de echtheid van de door 'X' BVBA gefactureerde kosten voor managementprestaties, het bedrag ervan en het feit dat de kosten werden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden vaststaan, maar die niettemin de aftrek van deze kosten weigeren op de loutere grond dat uit de stukken niet blijkt dat "'X' BVBA zelf, zij het via haar organen, daadwerkelijk de gefactureerde managementprestaties heeft uitgevoerd binnen [de eiseres]", verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

 

Het onderdeel is gegrond.”

 

We weten allen dat, opdat een kost aftrekbaar zou zijn als beroepsuitgave, vereist is dat de kost gedaan is om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en dat de belastingplichtige moet bewijzen dat de kost beantwoordt aan werkelijk geleverde prestaties (art. 49 WIB/92).

Dit is gevestigde rechtspraak.

 

Wanneer een rechter echter vaststelt dat een uitgave beantwoordt aan werkelijk geleverde prestaties, maar wanneer deze prestaties niet geleverd zijn door diegene die de factuur uitreikt, dan blijft de uitgave toch een aftrekbare uitgave. De aftrekbaarheid van dergelijke uitgave als beroepskost, kan niet worden geweigerd op de enkele grond dat de prestaties niet werden verricht door of namens diegene die de factuur heeft uitgereikt, zo stelt het Hof.

 

Om deze uitspraak van het Hof van Cassatie goed te kunnen begrijpen, moeten we de feitelijke achtergrond van deze casus even toelichten en het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen kaderen.

 

Vier managers nemen op een zeker ogenblik een bedrijf over en richten in dit verband een nieuwe BVBA op. Deze BVBA werd opgericht met een bepaalde doelstelling die wat ons betreft nu niet direct relevant is. De BVBA werd benoemd tot afgevaardigd bestuurder van de overgenomen vennootschap en heeft ook de aandelen in die vennootschap verworven. Met het oog op het uitoefenen van haar activiteiten werd door deze BVBA een managementovereenkomst gesloten met de overgenomen vennootschap waarin overeengekomen werd dat de BVBA prestaties zou verrichten t.o.v. de overgenomen vennootschap. Samengevat komen deze prestaties neer op het voeren van het algemeen management, het personeelsbeleid, de bewerking van goederen, het financieel en liquiditeitsbeheer, enz.  Tegenover deze prestaties wordt in de overeenkomst een vergoeding voorzien aan uurtarief. Verder werd overeengekomen dat de BVBA voor het uitoefenen van de managementprestaties beroep zou doen op vier natuurlijke personen. Met deze vier personen werd door de BVBA een managementovereenkomst afgesloten. Deze vier personen oefenden in de overgenomen vennootschap geen mandaat uit, noch leverden zij rechtstreeks t.a.v. die vennootschap managementprestaties.

 

In de loop der jaren heeft de overgenomen vennootschap jaarlijks of periodiek de overeengekomen vergoeding betaald aan de BVBA waarover we het zonet hadden. Bovendien werd er ook op zeker moment een tantième uitgekeerd. In de BVBA werden deze vergoedingen natuurlijk belast in de vennootschapsbelasting.

 

Op zeker ogenblik verwerpt de Administratie evenwel de aftrek van de facturen van de managementvennootschap in de overgenomen vennootschap. De Administratie stelde dat de kosten van de managementvennootschap niet zouden gedaan zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen en de echtheid van de betaalde managementvergoedingen niet aangetoond zou zijn. M.a.w. men hield voor dat de BVBA zelf geen prestaties leverde voor de vergoedingen die zij gefactureerd had en dat de overgenomen vennootschap die de vergoedingen betaald had, deze dus om die redenen niet mocht aftrekken. De vergoedingen zouden niet beantwoorden aan werkelijke prestaties, geleverd door degene die de facturen uitgereikt had, wat een vereiste zou zijn.

 

De managementprestaties werden immers geleverd door de vier managers waarmee de BVBA een managementovereenkomst gesloten had. Die zouden hebben gehandeld in eigen naam en voor eigen rekening, maar niet als orgaan of als vertegenwoordiger van de BVBA. De BVBA zelf zou dus geen prestaties geleverd hebben en de betaalde vergoedingen zouden niet beantwoorden aan werkelijk geleverde prestaties. De Rechtbank van eerste aanleg en het Hof van Beroep te Antwerpen volgden de stelling van de Administratie.

 

In casu werd er niet getwist over het feit of er al dan niet prestaties geleverd waren. De echtheid van de prestaties stond vast. De vergoeding ervoor werd ook niet betwist. Het bedrag ervan leek in verhouding te zijn tot de geleverde prestaties, zo stelde eveneens het Hof van Beroep. Maar uit de stukken bleek niet dat de BVBA zelf, zij het via haar organen, daadwerkelijk de gefactureerde managementprestaties heeft uitgevoerd. Vennootschappen kunnen slechts handelen via hun organen. In casu zouden de prestaties niet geleverd zijn door de vennootschap, noch rechtstreeks, noch via haar organen. De prestaties zouden geleverd zijn door de vier betrokken managers, rechtstreeks als bestuurder of als manager van de vennootschap in kwestie die de vergoedingen betaald heeft.

 

Het is in die context dat het Hof van Cassatie gesteld heeft dat de prestaties niet noodzakelijk moeten geleverd zijn door de vennootschap zelf. Wanneer de prestaties vaststaan, kan de vennootschap deze factureren, indien zoals in casu is komen vast te staan dat de vennootschap voor het leveren van de prestaties beroep doet op derden (die dan misschien nog niet eens een orgaan van de vennootschap zijn), als het maar duidelijk is dat er tussen de betrokken personen en de gefactureerde bedragen een direct verband is, zodoende dat de gefactureerde bedragen inderdaad overeenstemmen met de geleverde prestaties.

 

Er moet een intrinsiek verband staan tussen de kost en de prestaties. Er moet niet een identiteit zijn tussen de dienstverlener en de ontvanger van de vergoedingen die de facturen heeft uitgereikt. Deze nuance door het Hof van Cassatie is belangrijk. We mogen in casu ook niet uit het oog verliezen dat de BVBA die de facturen uitreikte, aan de vier betrokken managers een vergoeding betaalde voor de door hen geleverde prestaties. De aftrek van die vergoedingen van de BVBA aan de vier managers werd in casu niet ter discussie gesteld.

 

Het Hof van Cassatie zet terecht de puntjes op de “i”. Soms evolueert de rechtspraak te fel in een bepaalde richting. Maar ja, de aftrek van kosten gefactureerd door managementvennootschappen is een hype geworden. Men kan niet “zomaar” factureren. Aan de facturen moeten werkelijke prestaties beantwoorden. Dit is niet meer dan logisch. Anders is het geen uitgave om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden in de zin van art. 49 WIB/92, maar eerder een goedgunstigheid, een liberaliteit. Het is te begrijpen dat dergelijke facturaties een halt wordt toegeroepen.

 

Maar men mag het “principe van de werkelijke prestaties” niet te ver doordrijven. In feite deed men in casu eigenlijk niets anders dan wat “aannemers” zo dikwijls doen, nl. beroep doen op onderaannemers. Heeft iemand de facturen van een aannemer ooit verworpen omdat hij niet zelf het werk uitvoerde ?

 

Dus waarom zou het in casu anders zijn ? Men moet ook de juridische realiteit blijven respecteren. Men kan niemand verbieden zijn werk uit te besteden. Er bestaat geen regel dat een vennootschap alleen kan/mag presteren via haar organen of aangestelden. Anders zouden heel was facturaties “sneuvelen”.

 

Natuurlijk, we mogen nu ook weer niet helemaal de andere toer op gaan. Er moeten prestaties geleverd zijn en er moet een band zijn tussen die prestaties en de facturen. Er moet dus ook een band zijn tussen degene die de prestaties leverde en degene die ze factureerde. Deze band is niet noodzakelijk een band van bestuurder of bedrijfsleider of werknemer. Het kan ook gaan om een band tussen “zelfstandigen”, een contractuele band.

 

In casu was dat het geval. Er waren contracten en de afspraken werden correct nageleefd. Dat blijft natuurlijk essentieel van belang. Anders gaat het opnieuw over willekeurige, goedgunstige facturatie.

 

Moet degene die de prestaties leverde, hiervoor dan vergoed worden door degene die de prestaties factureert ? Niet noodzakelijk ! Men kan niemand verbieden gratis te werken. Maar de prestaties moeten bewezen blijven.

 

We moeten ons er voor hoeden uit het hier besproken arrest te vergaande conclusies te trekken. Men moet de context van het arrest goed voor ogen houden.

 

Niettemin is het arrest een belangrijke nuance in “de leer over de echtheid van de prestaties”. Het evenwicht moet blijven; men mag een principe niet tot in het absurde doortrekken. Daardoor ondergraaft men het principe zelf. Men mag de economische werkelijkheid geen geweld aandoen.

 

Anderzijds mag men ook inzake het te leveren bewijs van de echtheid van de prestaties niet de redelijkheid en evenredigheid niet uit het oog verliezen. In casu waren er overeenkomsten tussen alle partijen; er waren overeengekomen tarieven; de facturen waren gedetailleerd; de tarieven werden gerespecteerd; de contracten werden correct nageleefd. Er werd effectief bestuurd door de managers.

 

Gaat het dan niet wat te ver voor te houden dat niet bewezen zou zijn, dat de gefactureerde prestaties niet de prestaties van die managers zouden zijn, en dat de managers niet zouden handelen namens de BVBA die factureerde, maar rechtstreeks voor de opdrachtgever, die de facturen betaalde ?

 

Het gebeurt zo dikwijls dat prestaties door derden worden geleverd.

 

Zou men bijvoorbeeld een advocatenkantoor nu ook gaan verwijten dat niet bewezen wordt dat de gefactureerde prestaties deze zijn die de medewerkers leverden, doch dat deze rechtstreeks voor de cliënten werkten ? Wellicht niet ! Maar voor  managementvennootschappen is dat nu weer anders. Er rust een stigma op en dat leidt tot excessen.

 

We kunnen ook nog refereren naar de situatie waarin iemand zetelt in een raad van bestuur namens een bepaalde vereniging of instelling (bijv. een vakbond of ziekenhuis) maar de vergoeding toekomt aan de “aanstellende” instelling. Deze levert geen prestaties, maar ontvangt wel een vergoeding. Zal deze vergoeding dan niet (meer) aftrekbaar zijn voor de vennootschap die de vergoeding betaalt ?!

 

Het hier besproken arrest van het Hof van Cassatie kan natuurlijk geen vrijgeleide zijn voor ongelimiteerde facturaties door de vennootschap die de facturen uitschrijft. Men kan geen buitenproportionele winsten nemen op de facturatie van de onderaannemers.

 

Dat probleem was in casu niet aan de orde. De vennootschap factureerde gewoon “één op één” de prestaties van de managers door. Maar men zou zich kunnen voorstellen – in andere situaties – dat men deze doorfactureerde met een zekere winst. Dat is was bijvoorbeeld aannemers in de bouwsector doen.

 

Het is aanvaardbaar dat men een normale winst neemt, maar een exorbitante winst zou wel eens kunnen beschouwd worden als een liberaliteit en dan toch als kost verworpen worden.

 

Het Hof van Cassatie heeft wijs geoordeeld, maar men mag dit oordeel niet uit zijn verband rukken en gaan overdrijven in de toepassing ervan.

 

Henri Vandebergh                                                                                        Annemiek Lewandowski

Heusden-Zolder, 31 juli 2019.