Kan de administratie nog een aanslag vestigen op naam van een vennootschap, wanneer de vereffening reeds werd gesloten?

De betwisting die in casu ter beoordeling aan het Hof van Beroep te Antwerpen werd voorgelegd,betrof de geldigheid van verschillende aanslagen lastens een vennootschap waarvan de vereffening reeds voordien werd gesloten.

De vennootschap in kwestie werd in vereffening gesteld in 2012. In november 2013 werd de vereffening gesloten. 

In 2015 werden vervolgens verschillende aanslagen ingekohierd in de vennootschapsbelasting, die betrekking hadden op enerzijds een herberekening van de meerwaarde op een onroerend goed naar aanleiding van de vereffening, en anderzijds op voordelen van alle aard wegens gratis woonst die aan de bijzondere aanslag geheime commissielonen werden onderworpen. Tevens werd een aanslag van ambtswege gevestigd in de roerende voorheffing, aangezien de liquidatiebonus die uit de herberekening van de meerwaarde voortvloeide, belastbaar is als dividend in de roerende voorheffing aan 10%.

Deze aanslagen werden gevestigd op naam van de vennootschap, met de bijkomende vermelding ‘p/a’ en de naam van de vereffenaar van de vennootschap. 

Voor het Hof van Beroep werd in hoofdorde aangevoerd dat de aanslagen op naam van de verkeerde persoon werden gevestigd. De aanslagen hadden volgens de belastingplichtige gevestigd moeten worden op naam van de vereffenaar en niet meer op naam van de vennootschap, vermits de vereffening reeds gesloten was op het moment van de vestiging van de aanslagen.

Het Hof van Beroep oordeelt in het arrest van 15 januari 2019 als volgt :

“Overeenkomstig artikel 133, §1 KB WIB92 wordt de aanslag ten kohiere gebracht op naam van de betrokken belastingschuldigen. Wie als belastingschuldige dient te worden aangemerkt na sluiting van een vereffening wordt door het KB WIB92 niet verduidelijkt. Artikel 133, §2 KB WIB92 handelt enkel over overleden belastingschuldigen en artikel 133, §3 KB WIB92 betreft enkel de vraag op naam van wie aanslagen in de onroerende voorheffing moeten worden gevestigd wanneer onroerende goederen in onverdeeldheid toebehoren aan meerdere eigenaars.

Bij gebrek aan eigen bepaling in het fiscaal recht terzake, moet men teruggrijpen naar het gemeen recht, en meer bepaald naar artikel 198, §1, derde streepje W.Venn., dat luidt als volgt :

Ҥ 1 Door verloop van vijf jaren verjaren :

- (…)

- (…)

- Alle rechtsvorderingen tegen de vereffenaars als zodanig, of bij ontstentenis van vereffenaars, tegen de personen die krachtens artikel 185 als vereffenaars worden beschouwd, te rekenen van de bekendmaking voorgeschreven bij artikel 195;

- (…)”

Wanneer de vereffening van een vennootschap wordt gesloten, komt er een einde aan het bestaan en de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap en aan het mandaat van de vereffenaar (Cass., 14 februari 2012, AR P.11.1181.N, www.cass.be; D. D’Hooghe, ‘De gevolgen van de sluiting van de vereffening van handelsvennootschappen met volkomen rechtspersoonlijkheid’, T.B.H., 1989, p. 333).

Vermits de vennootschap niet langer bestaat kan op haar naam geen aanslag meer worden ingekohierd. Het is enkel de vereffenaar als zodanig die nog als belastingschuldige in de zin van artikel 133 KB WIB92 kan worden aangesproken (cfr. Gent, 14 juni 2016, RAGB, 2017, nr. 19, p. 1491; Antwerpen, 27 juni 2017, 2015/AR/2498, RAGB, 2017, nr. 19, p. 1488; C. Buysse, ‘Inkohieringna sluiting vereffening vennootschap: wie is ‘belastingschuldige’?’, Fiscoloog, 2017, 1528, p.11; T. Sas, ‘Wie te taxeren na de sluiting van de vereffening of de herstructurering van een vennootschap?, noot onder Gent, 14 juni 2016, RAGB, 2017, nr. 19, p. 1494; D. Bruneel, ‘De misleidende term “passieve rechtspersoonlijkheid”, noot onder Antwerpen, 27 juni 2017, T.F.R., 2018, nr. 533, p.49).

Artikel 198, §1, derde streepje W.Venn. betreft een fictie, in de rechtsleer ook wel aangeduid als ‘passieve rechtspersoonlijkheid’, waarbij een blijvende aansprakelijkheid tot vijf jaar na het sluiten van de vereffening wordt in stand gehouden ten behoeve van de schuldeisers van een vereffende vennootschap. Het is de vereffenaar als zodanig die als aanspreekpunt van deze schuldeisers wordt aangeduid.

De administratie stelt in dit verband ten onrechte dat de aanduiding ‘p/a’ voldoende is om aan te nemen dat de aanslag gevestigd werd ten name van de vereffenaar. Integendeel blijkt hieruit dat de aanslag werd gevestigd op naam van de vennootschap zelf, met verzending van het aanslagbiljet naar het adres van de vereffenaar (cfr. Cass., 18 juni 2009, F.08.0034.F, www.cass.be; D. Bruneel, ‘De misleidende term “passieve rechtspersoonlijkheid”, noot onder Antwerpen, 27 juni 2017, T.F.R., 2018, nr. 533, p. 49).

Eveneens ten onrechte werpt de administratie op dat de belastingplichtige in deze geen belangenschade kan inroepen, vermits de aanslag de vereffenaar wel degelijk heeft bereikt. Een kohier betreft geen proceshandeling, zodat de nietigheidsregeling van de artikelen 860 en volgende Ger.W. hierop niet van toepassing is. Bovendien verhindert het feit dat de vereffenaar op de hoogte was van de aanslag niet dat de aanslag gevestigd werd op naam van een onbestaande belastingplichtige.

Gelet op het voorgaande zijn de betrokken aanslagen allemaal nietig, want gevestigd op naam van een niet bestaande rechtspersoon. Vermits de overige argumenten niet kunnen leiden tot een ander oordeel, dienen ze te worden afgewezen als zijnde niet langer dienstig.”

Het Hof van Beroep is aldus van oordeel dat er geen aanslag meer gevestigd kan worden op naam van een vennootschap die niet meer bestaat. Enkel de vereffenaar kan aangesproken worden als belastingschuldige. Volgens het Hof is het echter onvoldoende om de aanslag, gevestigd op naam van de vennootschap, met de vermelding ‘p/a’ te verzenden naar het adres van de vereffenaar.

Om deze reden werden de betreffende aanslagen door het Hof van Beroep vernietigd. 

 

Henri Vandebergh                                                                           Annemiek Lewandowski
5 februari 2019